Cultuur

Interview

Interview

Twee Javaanse mannen worden in de buurt van Soekaboemi zonder vorm van proces neergeschoten nadat zij een groep militairen van de vierde compagnie van het 3e bataljon Garde Regiment Jagers eind December 1948 in een hinderlaag hadden gelokt. De militairen, ongeveer 22 man, wisten zich uit de hinderlaag te redden door de vijandelijke linie te doorbreken en leden daarbij geen verliezen.

Foto NIMH

Moorden en martelingen verdoezelen was ‘gewoon beleid’

Interview Rémy Limpach, historicus

De koloniale autoriteiten in Nederlands-Indië waren structureel gewelddadig. Klokkenluiders werden geïntimideerd, de bestuurlijke top gedoogde het extreme geweld en keek weg. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van historicus Rémy Limpach.

Op 26 februari 1949 verscheen er een anonieme brief in het weekblad De Groene Amsterdammer met als kop ‘Een officier schrijft uit Djocja aan zijn vrienden: een commentaar op ons.’ In de brief, die buiten zijn medeweten werd gepubliceerd, bekritiseerde deze officier het doden van Indonesische gevangenen met een nekschot, het verdoezelen door de autoriteiten van misdrijven en de martelingen door de inlichtingendiensten. Als represaille werden kampongs in brand gestoken, schreef hij, waarbij andere officieren hem aanraadden daar haast mee te maken, ‘voordat de bevolking de kans heeft gekregen eruit te vluchten’.

De man achter deze kritiek was reservekapitein van de Koninklijke Landmacht Ko Zweeres. Hij was ‘beslist geen linkse scherpslijper’, schreef de recent overleden journalist Henk Hofland eens, en had zich eerder achter de tweede politionele actie van legercommandant Simon Spoor geschaard.

In een andere brief, aan een vriend, schreef hij ook: ‘Natuurlijk kan je proberen door je persoonlijk optreden goed te maken wat anderen misdoen, maar daarmee wek je de doden niet uit hun graven, daardoor herrijzen de verbrande kampongs van Spoor niet uit hun as.’

Aan die passage ontleent historicus Rémy Limpach (1974) de titel van zijn boek De brandende kampongs van generaal Spoor, waarop hij promoveerde en dat deze donderdag verschijnt. „Deze man was een echte militair, maar had wel stevige kritiek en ook gewetensbezwaren” zegt Limpach op zijn kantoor van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. „Die combinatie vond ik indrukwekkend.”

Het geweld was niet incidenteel, zoals het officiële standpunt luidt, maar structureel

Zijn achtergrond checken

Vorig jaar, nog voordat hij op de Duitstalige versie van zijn onderzoek was gepromoveerd in Zwitserland, presenteerde Limpach in NRC zijn hoofdconclusie over de aard van het extreme Nederlandse geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog van 1945 tot 1949. Dat was niet incidenteel, zoals het officiële standpunt op basis van de Excessennota uit 1969 nog altijd luidt, maar structureel. De nota maakte slechts summier melding van 110 ‘excessen’. Het structurele extreme geweld werd volgens Limpach vooral door de reguliere troepen gepleegd: de Koninklijke Landmacht, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger en de Mariniersbrigade, van hoog tot laag in rang. Limpach gaat in zijn boek in op de oorzaken, preventie, controle en bestraffing van dat geweld. Hij wijst daarbij op de verantwoordelijkheid van de autoriteiten en geeft het geweld een gezicht, door de namen van geweldplegers te noemen.

De brief van Zweeres maakte, net zomin als vele andere soldatenbrieven, geen einde aan het geweld dat steeds verder om zich heen greep. De autoriteiten achterhaalden Zweeres’ identiteit. „Er werd eerst een onderzoek naar hem ingesteld in de archipel. Later ging ook de officier van justitie in Nederland zich ermee bemoeien en werd de politie en de burgemeester in Zweeres’ woonplaats Zeist bevolen om zijn achtergrond te checken”, zegt Limpach. „Was hij een communist? Wat waren zijn familieverhoudingen? De intimidatie was immens.” Zweeres deed een zelfmoordpoging. „Ik vond een uitspraak van een hoge bestuursambtenaar die toen zei: ‘Ja, we hebben hem nu wel genoeg gepest’.”

‘Lastige’ klokkenluiders

Legercommandant Spoor, die allerlei kritische soldatenbrieven onder ogen kreeg, schoof ze in de regel resoluut terzijde. Hij hield zich niet bezig met de beschuldigingen, zo zegt Limpach, maar met „het achterhalen van de identiteit van de ‘lastige’ schrijver en de mogelijkheid strafrechtelijk tegen hem op te treden”. Oud-premier Drees kreeg te horen over die gebrekkige bescherming van klokkenluiders en liet in de Tweede Kamer weten dat dat toch niet zomaar kon. „Maar het gebeurde dus wel”, aldus Limpach, en Drees keek weg. „De verschillen tussen theorie en praktijk waren nogal groot.”

De nasleep van de brief van Zweeres toont de situatie die Limpach inzichtelijk maakt in zijn lijvige proefschrift: dat er sprake was van „een totaal falend systeem van checks and balances, bij zowel de militairen, het burgerlijk bestuur als justitie, maar ook bij de media”. Want niet alle media publiceerden de noodkreten van de klokkenluiders, zoals de linkse De Groene, Het Parool en Vrij Nederland deden. De hoofdredacteur van het katholieke weekblad De Linie nam daarentegen gelijk contact op met de Minister van Overzeese Gebiedsdelen toen hij een melding ontving over zware martelmethodes, en gaf de identiteit van de kwetsbare tipgever prijs. Zo lieten meerdere media het grotendeels afweten. Maar de meeste militairen die het extreme geweld afkeurden, waren geen klokkenluider, aldus Limpach. „De meerderheid van hen balde de vuist in de zak, ook uit angst voor de consequenties.”

Het geweld dat tegen de Indonesische bevolking is ingezet, bestond uit marteling, brandstichting, executies zonder vorm van proces en disproportionele beschietingen met artillerie, tanks, scheepsgeschut, vliegtuigen en mortieren. Ook werden massa-arrestaties verricht, met angstpsychoses onder de bevolking tot gevolg, zoals bijvoorbeeld op Zuid-Celebes. Limpach: „Massa-arrestaties door KNIL-troepen van de lokale bevolking vonden al maanden plaats vóór de komst van de speciale eenheden die het verzet tegen de Nederlanders met geweld neersloegen, onder leiding van de beruchte kapitein Raymond Westerling.”

Het gewelddadige optreden leidde tot wanhoop bij de rechtelijk ambtenaar Jan Lambers, die rapporteerde hoe kampongbewoners werden neergeschoten toen zij bij de arrestaties probeerden te vluchten. Mensen die niet vluchtten werden door de militairen vaak „uit voorzorg” onder vuur genomen. Ze doodden volgens Lambers vele onschuldige burgers, onder wie vrouwen en kinderen.

Foto NIMH

Twee Javaanse mannen worden in de buurt van Soekaboemi zonder vorm van proces neergeschoten nadat zij een groep militairen van de vierde compagnie van het 3e bataljon Garde Regiment Jagers eind December 1948 in een hinderlaag hadden gelokt. De militairen, ongeveer 22 man, wisten zich uit de hinderlaag te redden door de vijandelijke linie te doorbreken en leden daarbij geen verliezen. Foto NIMH

Gedoogbeleid rond martelingen

Op Zuid-Celebes richtten de militairen vervolgens een groot bloedbad aan, waarbij duizenden Indonesiërs zijn gedood. Limpach legt de hoofdverantwoordelijkheid voor dat drama bij het legerhoofdkwartier en ook bij procureur-generaal Felderhof en luitenant-gouverneur-generaal Van Mook. „Felderhof legitimeerde dit bloedbad als een in noodrecht gegronde militaire actie, waarmee hij zich niet hoefde te bemoeien. Hij leunde dus achterover.” Van Mook reageerde wel verontwaardigd op geruchten over het gewelddadige Nederlandse optreden, maar vond het politieke doel dat hij daarmee wilde bereiken belangrijker en keek weg. „‘Brrr’, schreef hij dan in de kantlijn van rapporten over het geweld die bij hem langskwamen.”

Opvallend genoeg hanteerden veel plaatselijke militairen hetzelfde morele kompas als de hogere autoriteiten. Dat blijkt uit de zaak van een zekere majoor Fris, de hoogste militaire politiefunctionaris op Sumatra. Hij probeerde een zaak waarin een Indonesische gevangene door de lokale inlichtingendienst was doodgeknuppeld in de doofpot te stoppen. Later gaf hij aan dat hij daarmee dacht het landsbelang te dienen, want het martelen had een militair doel. „Het was nodig om informatie van de vijand te verkrijgen.” Spoor was van de grootschalige inzet van marteling op de hoogte, zegt Limpach. „Hij had een martelverbod uitgevaardigd, maar daar hield niemand zich aan. Hij nam dat op de koop toe. Dat noem ik een gedoogbeleid.”

Een andere belangrijke oorzaak van de Nederlandse ontsporingen was dat de autoriteiten in Batavia nagenoeg alle beschikbare krachten mobiliseerden, al waren die nog zo ongeschikt. Zo diende vanaf 1947 een speciale eenheid onder Nederlandse vlag, de zogeheten HAMOT’s – Hare Majesteits Ongeregelde Troepen. Deze eenheid bestond vooral uit overgelopen criminele Indonesiërs „die door de politie werden gezocht vanwege het moorden op Europeanen”, aldus Limpach. „Dat die moordenaars wapens, munitie en uniformen kregen, daar druipt het opportunisme van de Nederlandse autoriteiten vanaf.”

Limpach noemt het Indonesisch extreem geweld eveneens structureel. Een van de voorbeelden daarvan is de bloedige Bersiap-periode. Toen doodden jonge revolutionaire Indonesiërs duizenden Nederlanders, Indo-Europeanen, Chinezen, Molukkers, Menadonezen en andere aan Nederland loyale Indonesiërs. Dit geweld was volgens Limpach „de opmaat” naar de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en heeft „het latere geweld beïnvloed”. Limpach, die zijn onderzoek op Nederlands geweld richtte, vindt dat er meer onderzoek nodig is naar de relatie van het Nederlandse geweld met het geweld van de Indonesische kant.

Commandant Spoor verbood martelen. Limpach: daar hield niemand zich aan

Archieven op zolder

De Nederlands-Zwitserse Limpach startte zijn promotieonderzoek in 2009 in Bern vanuit interesse in koloniale geschiedenis en zijn Nederlandse herkomst. Toen hij zich aan het ‘Excessendebat’ waagde, verbaasde hij zich erover hoe weinig academisch onderzoek er bestond naar het geweld tijdens de grootste militaire operatie uit de Nederlandse geschiedenis. Ergens in 2011 kruisten de wegen van Limpach en de recent overleden historicus Cees Fasseur elkaar in het Nationaal Archief in Den-Haag. Fasseur was de opsteller van de Excessennota uit 1969.

„Ik haal die nota nu onderuit”, aldus Limpach. Een belangrijke bron voor zijn onderzoek was het archief van juristen Van Rij en Stam, die in 1949 de misstanden op Zuid-Celebes beschreven, maar nog geen serieuze aandacht kregen van historici. „De archieven lagen jaren bij Fasseur op zolder, nadat Stam ze in een kippenhok zou hebben bewaard. Stam was teleurgesteld dat de ministerraad zijn rapport in 1954 naast zich neergelegd had.”

Ook Fasseurs opdrachtgever, oud-premier Piet de Jong, overleed recent. De Jong koos er bewust voor om de militairen af te schermen, aldus Limpach. „Dat zal ook te maken hebben gehad met zijn achtergrond als marineman, waardoor hij veel begrip had voor de militairen.” Maar ook Limpach heeft begrip voor de moeilijke positie van soldaten, die kampten met een gebrek aan vrijwel alles, van training en leiding tot materiaal. „Generaal Spoor heeft het onmogelijke van zijn mannen geëist. Het was vaak een kleine stap om wederrechtelijke middelen toe te passen.”

Maar de vaak gehoorde dooddoener dat ‘het nu eenmaal oorlog’ was, deelt Limpach niet. „Het was inderdaad een guerrillaoorlog. Maar ik heb tijdens mijn onderzoek versteld gestaan van de koelbloedigheid van het uitvoerend niveau, de betrokkenheid van hoog tot laag en de cynische rechtvaardiging.”