Column

Junkie-loopje

Ik heb het jaren niet gezien in Rotterdam, vandaar mijn verbazing deze week toen ik er ineens weer een zag lopen langs de Westersingel. Die kleine, snelle stapjes, de samengeknepen billen in een te ruime spijkerbroek, die schokkerige armbewegingen en schichtige blik, haastig op weg naar, ja, naar waar eigenlijk?

Mijn beste vriendin had een broertje (hij is inmiddels overleden) dat halverwege de jaren tachtig verslaafd raakte aan heroïne. Toen hij voor de tweede keer in een maand bij zijn moeder (die wist van zijn verslaving) aanklopte voor geld voor nieuwe schoenen en zij vol ongeloof reageerde, antwoordde hij verontwaardigd dat ze er geen idee van had hoeveel kilometers hij dagelijks moest afleggen voor zijn drugs en hoezeer zijn schoenzolen daaronder te lijden hadden. Dat over die zolen was waarschijnlijk overdreven, maar dat van die kilometers scheen echt te kloppen. Straatdealers waren niet gemakkelijk te traceren in een tijd zonder mobiele telefoons. En aan die gestolen fietsen hadden de junks ook niets, want die moesten natuurlijk zo snel mogelijk weer voor een tientje worden doorverkocht.

Het prototype van de junkie dat het Rotterdamse straatbeeld jarenlang bepaalde, is inmiddels zo goed als uitgestorven, letterlijk. Waar je je begin jaren negentig op en rond het Centraal Station nog door een haag van die zombies moest werken om een trein te halen, kijk ik nu dus verbaasd achterom als ik er eentje haastig voorbij zie hobbelen. En dan te bedenken dat ik het vroeger doodgewoon vond als ze naast me bij de tramhalte zaten te ‘chinezen’ (heroïne roken van een zilverpapiertje) en ik alleen nonchalant mijn hoofd wegdraaide om die giftige dampen niet te hoeven inademen.

Afgelopen zomer kwam ik op datzelfde Centraal Station tot mijn verbazing een oude bekende tegen uit de Perron Nul-tijd. Een vaste bedelaarster die destijds nogal opviel omdat ze tijdens het bedelen haar kunstgebit uitdeed, waarschijnlijk om extra medelijden op te wekken bij reizigers. Ik herkende haar onmiddellijk en vroeg geïnteresseerd naar haar huidige situatie. Al jaren geleden afgekickt, vertelde ze trots. Maar waarom hing ze dan weer in die stationshal rond, vroeg ik voorzichtig. Omdat haar geld op was en ze nog twee dagen moest wachten op haar uitkering. En dus was ze, volgens haar oude gewoonte, maar weer naar het station gegaan om een ‘bijdrage’ te vragen aan passanten. Niet voor drugs, maar voor eten, beweerde ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Alleen laat ze tegenwoordig, constateerde ik opgelucht, wel dat kunstgebit in haar mond zitten. Het maakte het weerzien net wat smakelijker.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelancejournalist en stadsgids in Rotterdam.