Is Nederland pessimistisch? Dat valt reuze mee, zegt het SCP

Onderzoek

Europees gezien worden we vrolijker, maar binnenlands blijven Nederlanders zich grote zorgen maken. Nu over ‘samen leven’.

De Foto Koen van Weel/ANP

De regeringspartijen VVD en PvdA hebben gelijk: mensen geloven weer dat het goed gaat met de economie en ze denken vaker dat ze er ook zelf op vooruit zullen gaan. Van de Europese landen scoren alleen Luxemburg, Malta en Ierland beter. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) komt er deze donderdag mee in de langlopende studie Burgerperspectieven: met resultaten van Europees onderzoek, data uit een eigen enquête onder ruim 1.200 mensen en 63 interviews uit de voorbije drie maanden.

Maar de oppositiepartijen die zeggen dat de meeste mensen zich nog steeds veel zorgen maken, hebben óók gelijk. Het SCP laat zien dat bijna tweederde vindt dat het de verkeerde kant op gaat met Nederland.

Hoe kan dat allebei waar zijn? Als je Nederlanders vraagt naar Europa en hun eigen land, zegt SCP-onderzoeker Paul Dekker, vinden ze Nederland „een paradijs”. Bij het begin van de economische crisis, in 2008, was er in Nederland juist nog „maatschappelijk pessimisme”.

Er is ook meer steun voor het EU-lidmaatschap: begin dit jaar noemde 40 procent van de Nederlanders dat nog ‘een goede zaak’ (28 procent juist niet), nu is 46 procent vóór (en 20 procent tegen) – al vindt nog steeds een meerderheid dat Nederland te veel macht heeft overgedragen. De toegenomen steun voor de EU is er bij hoog- en laagopgeleiden, bij jongeren en ouderen.

Maar als je mensen ondervraagt over ontwikkelingen in Nederland zélf, komt er volgens Dekker ineens een „nostalgisch verlangen naar de jaren vijftig” naar boven.

Over de economie werden Nederlanders al in 2014 positiever: het ging economisch toen al beter. Dat leidde tot een positievere kijk op de politiek, maar dat effect verdween weer. Dekker: „Op een gegeven moment is het met die economie ook wel klaar voor de mensen.” En dan gaan hun zorgen over ándere dingen. „De totale hoeveelheid leed en verwachtingen over wat er allemaal fout kan gaan in Nederland blijft min of meer constant. De meeste mensen zijn pessimistisch.”

Wat opvalt: immigratie en integratie worden sinds dit voorjaar veel minder als probleem gezien – er komen ook minder vluchtelingen. Maar de zorgen over hoe we met elkaar omgaan groeien juist. Voor een deel zijn dat dezelfde zorgen, zegt Dekker, maar anders verwoord.

Mensen maken zich ook steeds drukker over de zorg: het thema staat op nummer 1 van de ‘politieke agenda’ die ondervraagden samenstellen. Begin 2016 stond immigratie op de eerste plaats, nu op twee. Op die politieke agenda staat dan weer níét onze manier van samenleven, normen en waarden – waar politici nu al campagne over voeren. Kiezers denken blijkbaar dat het niet veel zin heeft als politici daar aandacht aan besteden. Dekker: „Bij zorgen over economie of zorg kun je, denken mensen, wat verwachten van politici – denk aan wetten. Maar bij het samenleven is het anders. Dat maakt het probleem voor mensen ook zo groot. Ze voelen zich machteloos. Dat is de kern van veel onbehagen.”