Column

Grootouders

CULRoosmalen 1

Ik groeide op zonder grootouders. Ik had tot mijn tiende dan weliswaar een oma, maar dat telde niet. Die was zo oud dat ik me haar vooral herinner als een onverstaanbaar, kwijlend wezen dat bij bezoek in een rolstoel door een vrijgezelle zus van mijn vader de kamer werd ingereden. We werden ernaartoe geduwd om haar een kusje te geven en werden er ook weer vandaan getrokken als we het briefje van tien gulden uit haar knuist hadden gepeuterd.

Op haar begrafenis zag ik mijn vader voor het eerst huilen. Pas later snapte ik dat hij haar ook als normaal mens gekend moest hebben.

Mijn dochter heeft twee oma’s en een opa. Ik heb die mensen na haar geboorte zien veranderen. De moeder van de vriendin kruipt als ze op bezoek is tegenwoordig vaker wel dan niet op handen en voeten door de huiskamer, haar vriend trommelt met zijn vingers hele symfonieën op het tafelblad.

Met mijn moeder doet ze andere spelletjes.

Toen we de dochter ter ere van haar 85ste verjaardag op haar schoot zetten, begon ze haar ter plekke te demonteren. Ze peuterde eerst het gehoorapparaat achter haar oor vandaan, trok daarna de bril van haar gezicht en zou, als we niet hadden ingegrepen, ook nog het gebit uit haar mond hebben gehaald.

„Zit ze nog wel op schoot?”, vroeg mijn moeder hulpeloos nadat ze van al haar hulpmiddelen was ontdaan.

Een kwartier later somde ze op wat ze nog allemaal wilde doen met haar jongste kleindochter, en dus indirect ook met ons.

Naar zee.

Naar een pretpark.

In een huisje zitten.

Vooral over dat laatste maakte ik me meteen zorgen.

„Maar je woont toch al in een huisje?”, vroeg ik op mijn allervriendelijkst om de verjaardagspret niet meteen te bederven.

„Een huisje in de buurt van een dierentuin of een bos”, zei ze. „Dan kunnen we daar met z’n allen naartoe.”

„Hoe dan?”, vroeg ik, want ik vond het plan nogal ambitieus voor een vrouw die nog geen driehonderd meter meer kan lopen en die pertinent weigert om buiten een rollator te gebruiken.

„Dat zien we dan wel weer”, zei ze monter. „Eerst maar eens naar het ziekenhuis.”

De vorige keer in het ziekenhuis lag ze er na de operatie als een dood vogeltje bij, maar toen ze haar kleindochter zag, verstopte ze zich onder de lakens en maakte ze rare geluiden. Een verpleegster die binnen kwam om te temperaturen, schrok zo dat ze een vaas met bloemen omstootte.

Ik had ze allebei nog nooit zo hard zien lachen.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.