Uit eten gaan is een audiohel

AukeKok07

Wekelijks opent er wel ergens in Amsterdam een eetgelegenheid, en meestal is dan aan alles gedacht, behalve aan het meest gevoelige zintuig van allemaal, het oor. Of laat ik voor mezelf spreken, ik zit me regelmatig kapot te ergeren aan het massief getetter in al die tot restaurants verbouwde fabriekjes en scholen, waar het geluid ongehinderd heen en weer kaatst tussen staal en beton. Onvermijdelijk gaan de gasten dan steeds harder praten om boven het rumoer uit te komen, waardoor de andere gasten ook weer harder gaan praten en er een cyclus van naargeestige luchttrillingen ontstaat.

Terwijl ik gewoon wil genieten en normaal converseren. Daarom zakte ik zo ongeveer door de grond toen ik afgelopen week plaatsnam in het nieuwe restaurant The Lobby. Het exterieur had al het ergste doen vrezen: een met geel neon opgeleukte betonnen kolos aan de Fizeaustraat in Oost. Alweer zo’n postindustrieel eetwalhalla, dat in wezen een audiohel is, dacht ik. Dit keer in een voormalige Riagg-vestiging waar een toneel van liflafjes en hipsterherrie in het verschiet leek te liggen.

En ja hoor: ik had de menukaart nog niet in ontvangst genomen van zo’n lieftallige, waarschijnlijk aan de Rietveld studerende jongedame of in mijn ooghoek zag ik een gezelschap uitgelaten twintigers neerzijgen aan een lange tafel vlak bij ons. Mijn horeca-ervaring fluisterde me in dat nu alles verloren was. Die lui gingen doen wat alle grote gezelschappen in restaurants doen — elkaar in toenemende vrolijkheid onder een wolk van alcohol en stijgende opwinding zitten toeschreeuwen.

Uitgesloten dat dit etentje de ietwat bekoelde sfeer waarmee mijn vrouw en ik naar The Lobby waren gefietst (dat kun je zo hebben in een huwelijk van meer dan twintig jaar) nog kon opwarmen. Verkassen overeenkomstig het adagium ‘altijd zo ver weg mogelijk van grote gezelschappen in restaurants’ kon ook al niet. Alle tafels waren bezet. We zaten vast.

Getergd bladerde ik door het menu tot het gebeurde. Weet je wat? Er gebeurde niets. Of liever, ik hoorde niets. Als zeepbellen bleven onze woorden boven ons tafeltje hangen. Iedereen in het volle restaurant praatte op normaal volume, schijnbaar genietend van de eigen, lief glinsterende zeepbelletjes. Geen centje pijn van het grote gezelschap, fascinerend om mee te maken. Hier bleek een jarenzeventigconcept aan ten grondslag te liggen. De gemacrameede wandkleden („weer helemaal in”, wist mijn vrouw) aan de muur, schrootjeswanden, het dikke eikenhouten parket en het akoestisch doordachte plafond bezorgden mij een, ik overdrijf hier niets aan, audiofonische extase.

Van twee meter afstand vroeg het Rietveldmeisje ons bijna fluisterend wat ze voor ons kon betekenen en zielsgelukkig fluisterden wij haar onze wensen toe. Omdat al onze belletjes intiem boven onze tafel bleven fonkelen, gingen mijn vrouw en ik ongemerkt over tot bijna literaire ontboezemingen. Helemaal warm van binnen fietsten we huiswaarts. En, beste eigenaren van kabaalrestaurants, nu als de sodemieter naar The Lobby om te zien, en vooral te horen, hoe het ook kan, nee moet.

Auke Kok is schrijver en journalist.