Recensie

Een leven in oorlog verscholen achter kleine zinnetjes

Illustratie Charlotte Dematons

Er had dit jaar niet een veel betere auteur voor het Kinderboekenweekgeschenk gevraagd kunnen worden dan Dolf Verroen. Zijn semi-autobiografische Oorlog en vriendschap sluit naadloos aan bij het thema van de Kinderboekenweek: opa’s en oma’s. Het verhaal van Verroen (1928) is er één in de categorie ‘opa vertelt’, en daarmee is niets onaardigs bedoeld. Sommige opa’s kunnen geweldig vertellen.

Oorlogsherinneringen uit eerste hand

Verroens alter ego Joop is een wat uilig jochie, ‘een slapjanus met een jampotjesbril’, dat elf is als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Hij is een buitenstaander, qua karakter, maar eigenlijk ook wat betreft zijn positie in de oorlog: zijn klasgenootje Irma is joods en hij niet, zijn klasgenootje Rinus heeft NSB-ouders en hij niet, hij hoort tot de grijze massa. Die positie is in literair opzicht een mooie keuze om over het leven in oorlogstijd te vertellen: voor een argeloos kind van nu, ook een buitenstaander, blijft de geschiedenis daardoor niet op afstand. Van de oorlog merkt Joop aanvankelijk vooral dat er alleen nog ‘vieze namaakthee’ is en dat je je dagenlang stierlijk kunt vervelen, als er Duitse soldaten ingekwartierd zitten in je schoolgebouw.

Verroen beschrijft de oorlogsherinneringen uit eerste hand, zoals blijkt uit de overeenkomsten met zijn autobiografische oorlogsmemoire Als oorlog echt is (1991) – de fictie staat Verroen toe hier om verhaallijnen door te trekken. De belangrijkste lijnen zijn de onderduikers en zijn vriendschap met Kees; beide tonen hoe de oorlog toch ingreep in alledaagse levens van wie ‘erbuiten’ stond.

Moreel kompas

De grootste troef van Oorlog en vriendschap is Verroens onaangedane toon, de kleine zinnetjes waarachter een leven verscholen ligt. Over de onderwijzer bijvoorbeeld, die op cruciale momenten geen partij kiest: ‘Meester Millenaar draaide zich om en schreef iets op het bord.’

Dat is des Verroens: die stijl maakte ook het vroeger schromelijk onderschatte, maar dit jaar heruitgegeven Hoe mooi wit ik ben een van de beste kinderboeken over slavernij. Daarin koos hij zonder opsmuk het perspectief van een meisje dat een slaaf voor haar verjaardag krijgt. Voor een oordeel vertrouwde Verroen (terecht) op het morele kompas van de jonge lezer: die had wel door dat dit onmenselijk was, en kon het zelf veroordelen. Maar moest ook weten: mensen dachten toen echt zo.

Iets vergelijkbaars doet Verroen nu weer: hij legt niet het morele oordeel van achteraf over de ervaringen van toen heen. De verzetsdaden van Joops ouders wijzen een duidelijke richting aan op het morele kompas, maar voor Joop ligt het ingewikkelder. Die zag ook vervelende onderduikers, ook coulante Duitsers, ook leuke NSB-kinderen. En hij vertelt wat er gebeurde met hun onderduiker Pollie, die naar het platteland gesmokkeld werd: ‘Pas na de oorlog hoorden wij dat hij kort na aankomst over een hark was gestruikeld, op zijn achterhoofd was gevallen en op slag dood was.’ Wat wilt u daarmee zeggen, opa? Dat de oorlog ingewikkeld was, kind.