Recensie

Na deze twee romans begrijp je Colombia beter

Romans Deze zondag mogen de Colombianen zich uitspreken over het vredesakkoord met de FARC. Twee evenwichtige romans over een familie-intrige belichten de trauma’s die de guerrilleros en ‘narco’s’ in Colombia en Bolivia aanrichtten.

Leden van de FARC in Colombia. Foto Luis Acosta/AFP

‘Ze kwamen binnen via de stal … met een kilte en een gezicht zo hard en uitdrukkingsloos als ik van mijn leven niet gezien heb. Je zag dat het mensen waren die van binnen wegteerden van haat en wrok. Het waren mannen en vrouwen die gedood hadden en gezien hadden hoe hun slachtoffers stierven. Die martelden en die zelf gemarteld waren.’

3009CUL Abad

Halverwege zijn roman De geheime droom van het land vertelt de Colombiaanse schrijver Héctor Abad Faciolince (1958) hoe tijdens de loden jaren van zijn land het zoontje van een van zijn hoofdpersonen ontvoerd wordt door de linkse guerrilla. Aanstaande zondag moet de Colombiaanse bevolking zich uitspreken over het vredesakkoord dat de regering met de FARC gesloten heeft. Lang niet iedereen is daarvoor te vinden. Wie wil weten waarom, kan zich daar na deze bladzijden een voorstelling van maken.

Toch behoort Abad allerminst tot de verbeten rechts-radicalen die van geen compromis willen weten. Hij heeft daar geen enkele reden toe. Eind jaren tachtig werd zijn eigen vader, een onvermoeibaar strijder voor gerechtigheid en mensenrechten, doodgeschoten door paramilitairen of huurmoordenaars. Twee decennia later schreef hij er een persoonlijk getuigenis over: Het verleden dat ons wacht, dat in Colombia een bestseller werd en zes jaar geleden hier in vertaling verscheen. Beheerst en evenwichtig. ‘Met louter schelden kun je geen literatuur maken,’ zei hij in een interview in deze krant.

Die evenwichtigheid is er ook in De geheime droom van het land, dat losjes op zijn eigen familiegeschiedenis geïnspireerd lijkt. Drie personen komen erin afwisselend aan het woord, twee zussen en een broer. Middenklasse-milieu met een bescheiden eigen grondbezit, niet extreem rijk, maar arm evenmin. Ruimdenkende waarden waaraan de gemiddelde D66-kiezer zich geen buil zou vallen. En vermalen tussen de beide extremen in het Colombiaanse conflict.

Drugsdealers

Niet alleen de guerrilla, ook de met de paramilitairen heulende drugsdealers hakken erin. Eén van de zussen ontsnapt ternauwernood aan een moordaanslag door de ‘narco’s’; het landhuis dat de familie heeft opgebouwd wordt platgebrand.

Zo leest deze roman als een panorama van de recente geschiedenis van Colombia. Wijd uitwaaierend naar het verleden van de streek rond Medellín waaruit Abad zelf afkomstig is, maar vooral documenterend hoe het vanaf de jaren zeventig zo gruwelijk heeft kunnen mislopen. Soms lijkt Abad zelfs het verleden te willen corrigeren. Zijn eigen vader kneep in zijn strijd tegen de armoede nog wel eens een oogje toe voor de excessen van de guerrilla, zo merkte hij in zijn eerdere boek kritisch op. In zijn nieuwe roman geeft hij daar een andere draai aan. ‘Op dat moment had mijn vader er spijt van dat hij had gesympathiseerd met de communisten,’ zo laat hij de moeder van de ontvoerde jongen zeggen, ‘en begon hij de guerrilla te haten.’

.

Desondanks heeft Abad zich uitgesproken voor een ‘ja’ bij het komende referendum. Dat past in zijn genuanceerde manier van denken, die hem als schrijver echter een beetje in de weg zit. Er blijft aan deze roman iets ontbreken van literair gewicht: niet het schelden maar wel het onverwachte en ontregelende. Want hoe bewogen de geschiedenis van deze familie ook mag zijn, haar onberispelijkheid heeft iets lijzigs, waarvoor Abad ook nog eens heel veel woorden nodig heeft.

3009CUL Hasbun

Het radicale tegendeel daarvan is de korte roman Woeste jaren van de Boliviaanse schrijver Rodrigo Hasbún (1981). Alles wat bij Abad literair onder de korenmaat blijft, begint bij hem met één enkel woord te schitteren. Ook Hasbún schrijft over het trauma van het terrorisme en ook hij heeft er een familie-intrige voor nodig. Drie zussen zoeken in het leven hun eigen weg, die één van hen in het Boliviaanse ‘bevrijdingsleger’ van Che Guevara brengt.

Ook hier is de prijs een onmenselijke verharding. Wanneer de vader van deze terroriste weigert haar kameraden op zijn buitenverblijf onderdak te verlenen, is hij voor haar alleen nog een ‘vuile fascist’ en vertrekt zij zonder afscheid. ‘De volgende keer dat hij haar zag,’ schrijft Hasbún, ‘was op een affiche in La Paz. Het leger loofde honderdduizend peso voor haar uit, dood of levend.’ Met die woorden sluit hij het korte hoofdstuk van hun ontmoeting af: verpletterend in hun bondigheid.

Hoe goed Hasbún schrijft, toont zich wellicht allereerst in zijn slotzinnen – misschien wel het moeilijkste waarmee een auteur te worstelen heeft. Bijna steeds komen ze aan als een mokerslag. Zoals ook het tweede deel van het boek aan het eerste een draai geeft die de lezer regelmatig naar adem doet happen. Wat begint als een tiener-idylle eindigt in een catastrofe.

Ontdekkingsreizen

Toch weeft Hasbún het unheimliche al vanaf het begin door zijn vertelling heen. Een Duits gezin komt naar Bolivia, kort na de Tweede Wereldoorlog – om er in de jungle ontdekkingsreizen te ondernemen en die op film vast te leggen. Ja, de vader was ooit assistent van de Duitse cineaste en fotografe Leni Riefenstahl. Meer krijg je van Hasbún niet te horen, maar het is genoeg. Zoals ook de Werdegang van de oudste en lievelingsdochter van deze avonturier alleen met summiere speldenprikken wordt aangeduid. Huwelijk in welvarende familie, verveling, sociale verontwaardiging, rebellie, guerrilla. Geen woord teveel, en toch ontbreekt er niets aan het portret. ‘De vijand gaat in je hoofd zitten,’ laat Hasbún haar denken. ‘Hij probeert je ervan te overtuigen dat vechten geen zin heeft, dat je terug kunt naar je vroegere leven.’ Het is alsof je een interview met het Nederlandse FARC-lid Tanja Nijmeijer leest.