Recensie

De geniale orkestbouwer is terug bij af

Willem Mengelberg (1871-1951)

Uit het tweede deel van Fritz Zwarts biografie rijst een ontluisterend beeld van deze grote dirigent op. Zo wordt nu duidelijkheid verschaft over Mengelbergs omstreden houding ten opzichte van de nazi's.

Waar waren we gebleven? In 1999 promoveerde musicoloog Frits Zwart op het eerste deel van zijn biografie over dirigent Willem Mengelberg dat de periode van zijn leven tot 1920 besloeg. Dat eerste deel sloot af met het legendarische Mahlerfeest dat Mengelberg ter ere van zijn 25-jarige jubileum bij het Concertgebouworkest kreeg aangeboden. Daar dirigeerde hij alle symfonieën van Mahler, die toen alleen in Nederland volmondig erkenning kreeg als ‘de Beethoven van onze tijd’, vooral dankzij Mengelbergs inspanningen. Het Mahlerfeest was niet alleen het muzikale, maar ook het maatschappelijke hoogtepunt van Mengelbergs bestaan. Het evenement werd wijd en zijd beschouwd als een ‘Amsterdamse vredesconferentie’: het eerste grote weerzien tussen kopstukken uit het Franse en Duitse muziekleven na WO I.

Zwarts besognes als directeur van het – inmiddels wegbezuinigde – Nederlands Muziek Instituut zorgde ervoor dat het tweede deel van zijn biografie flinke vertraging opliep. Maar nu is dat tweede deel er dan toch en buigt hij zich onder meer over Mengelbergs pro-Duitse houding tijdens WO II en het dirigeerverbod dat hem daarom vanaf 1945 werd opgelegd.

De betekenis van Mengelberg voor het Nederlands muziekleven valt niet te overschatten. Hij bracht het Concertgebouworkest naar internationaal topniveau met zijn fanatisme, onorthodoxe repetitiemethoden en open oor voor de muziek van zijn tijd – van Mahler, Richard Strauss, Schönberg, Stravinsky en Hindemith, die hij allen naar Amsterdam haalde. Hij verdient dus zonder meer zo’n biografie van meer dan duizend bladzijden in totaal. Toch is het beeld dat van Mengelberg oprijst uit dit tweede deel tamelijk ontluisterend.

Prima donna

Gedurende de tweede helft van zijn carrière was Mengelberg voor het Concertgebouworkest zowel een zegen als een last. Mengelberg, een prima donna pur sang, kwam voortdurend met nieuwe klachten en eisen aan bij het orkestbestuur. Dat bestuur was bereid hem veel te vergeven, want iedereen – inclusief Mengelberg zelf – was overtuigd van zijn genialiteit. Hij was in de jaren twintig en dertig een beroemdheid zoals dat in onze tijd voor een dirigent van klassieke muziek onvoorstelbaar is. In populariteitspolls eindigde Mengelberg steevast in de hoogste regionen, omringd door staatslieden en zangers van het levenslied. Chauvinisme zal daar een rol in hebben gespeeld: Mengelberg genoot in het buitenland groot aanzien. Nederland blies in zijn persoon een potje mee op het wereldtoneel.

Maar voor wie met hem moest werken, was het vooral tobben. Zijn gezondheid was zwak. Vaak was er de bange vraag of Mengelberg wel in staat zou zijn om daadwerkelijk te dirigeren. Daar kwam bij dat hij veel tijd besteedde aan zijn internationale carrière. Begin jaren twintig verruilde hij zijn ‘tweede orkest’, het symfonieorkest van Frankfurt – Duitse deviezen waren door de hyperinflatie niets meer waard – voor het New York Symphony Orchestra (later de New York Philharmonic). In New York bevestigde hij nogmaals zijn roem als ‘orkestbouwer’, zoals hij dat eerder in Amsterdam klaarspeelde. Hij keerde vaak uitgeput terug in Amsterdam. In 1930 werd hij opzij gezet voor Arturo Toscanini, die populairder was bij het publiek en bovendien gold als ‘minder zwaar’ en ‘minder Duits’. Daarna verbleef Mengelberg een jaar overspannen in de Chasa Mengelberg: zijn geliefde huis in de Zwitserse bergen, waar de devote katholiek zijn eigen kapel liet bouwen.

Zwart onthult dat Mengelberg zijn leven lang impotent is geweest. In deel 1 van zijn biografie was daar nog geen sprake van, toen hij daarin de spanningen in het huwelijk en de kinderloosheid van Willem en Tilly Mengelberg besprak. Als bron vermeldt hij alleen ‘mededeling van verwanten uit de kring rond de familie Mengelberg.’ Zwart speculeert dat Mengelsbergs permanente staat van verongelijktheid en zijn gevoel van miskenning wellicht iets te maken hebben met zijn seksuele problemen. Erg sterk is dat niet: veel sterren en prima donna’s snakken voortdurend naar méér roem en méér erkenning, en die zullen heus niet allemaal problemen in bed hebben gehad.

Een groot gemis is verder dat Zwart zich ook in dit deel niet buigt over Mengelbergs omvangrijke discografie, terwijl hij dat wel had beloofd in het eerste deel. Welke opnamen van Mengelberg zijn echt waardevol en wat is gedateerd? Jammer dat Zwart daar niets over zegt.

Mengelberg had voortdurend geld nodig. Hij kreeg weliswaar vorstelijk betaald, maar hij was veel geld kwijtgeraakt: door hyperinflatie in Duitsland, na de Wall Street Crash van 1929 en door malversaties van zijn manager, Sam Bottenheim. Daar kwam een slepend conflict met de Nederlandse belastingdienst bij. Mengelberg kon gemakkelijker geld verdienen in het buitenland dan bij zijn eigen Concertgebouworkest. Voortdurend waren er klachten in de pers dat hij zich te weinig in Amsterdam liet zien.

Zwart rekent definitief af met de mythe dat Mengelbergs dubieuze houding na 1933, met name tijdens de Duitse bezetting, te verklaren zou zijn uit naïviteit, wereldvreemdheid of onwetendheid: de kunstenaar als groot kind, dat alleen voor de muziek leefde. Mengelberg hield zich naar buiten toe graag van de domme, als hem gevraagd werd waarom hij na 1933 nog steeds zo graag in Duitsland dirigeerde, waar de muziek van zijn vriend Mahler was verboden. Hij zou zich alleen bezighouden met muziek, niet met politiek. Maar Zwart toont dat Mengelberg goed op de hoogte was van wat er in de wereld gebeurde, en graag kranten las, zoals de Völkischer Beobachter, de krant van de NSDAP.

Bij zijn speurtochten door de Chasa Mengelberg diepte hij een stapel oude kranten op uit 1933 en 1934 met berichten over de machtsovername van Hitler, die door Mengelberg zijn voorzien van jubel- en juichkreten, genoteerd met hetzelfde rode en blauwe potlood waarmee hij ook zijn partituren van aantekeningen voorzag. Dat de nationaal-socialisten Mahlers muziek hadden verboden, beschouwde hij als een fout en een vergissing. Maar die nam hij voor lief, uit naam van het hogere belang: de wederopstanding van zijn geliefde Duitsland, dat zo diep gezonken was na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de smadelijke vrede van Versailles. Mengelberg had diepe bewondering voor Hitler.

Capitulatie

Het beruchte interview in mei 1940 met de Völkischer Beobachter waarin hij verklaarde dat hij ‘een glas champagne’ had gedronken op de capitulatie van Nederland, dat in vertaling in De Telegraaf verscheen, was onderdeel van een lange en niet mis te verstane reeks pro-Duitse uitlatingen. Door dat interview werd hij op slag een van de meest gehate mannen in Nederland. Later zei hij dat hem woorden in de mond zijn gelegd. Maar van die klap is zijn reputatie nooit hersteld.

Mengelberg was geen ideologische scherpslijper, hij erkende het genie van sommige joodse musici volmondig. Maar hij was niet vrij van het alledaagse antisemitisme dat vóór WO II vrij algemeen aanvaard was. Hij zette zich tijdens de bezetting in voor zijn joodse orkestleden, maar kon hun ontslag niet voorkomen. Schunnig was dan weer zijn opmerking tegen een joods orkestlid, dat naar zijn smaak onder de maat presteerde: ‘Als u niet beter speelt, kan ik ook niks voor u doen.’

Mengelberg was opgegroeid in een conservatief, katholiek Duits gezin – zijn ouders waren pas twee jaar voor zijn geboorte naar Nederland geëmigreerd. Hij was volledig doordrenkt van het muzikale en culturele erfgoed van Duitsland. Zijn afkeer van ‘Versailles’ en weerzin tegen het communisme waren groot. Dat is alles bij elkaar geen ongebruikelijk profiel voor een bereidwillige meeloper van het Derde Rijk. Onder Mengelbergs Duitse collega’s zijn daar ook vele voorbeelden van te geven. Zwart laat vooral de bronnen spreken en laat de interpretaties grotendeels aan de lezer. Maar hoe consciëntieus, plichtsgetrouw en genuanceerd hij ook te werk is gegaan, zijn boek kan niet anders dan tamelijk desastreus uitpakken voor de reputatie van zijn hoofdpersoon. Mengelberg is terug bij af.