De geheime brieven van Mata-Hari

Geschiedenis

Uit een geheime briefwisseling blijkt hoe Margaretha Geertruida Zelle ertoe kwam Mata Hari te worden. „Om fatsoendelijk te blijven, heb ik niet lang meer de tijd.”

‘Toen de trein Parijs naderde en ik alleen voor het eerst van mijn leven aan het Gare du Nord stond dacht ik een moment: God, wat ben ik begonnen met bijna geen geld. Maar tegelijk met die gedachte kwam den courage en ik dacht en avant.”

Het is 16 november 1903 als Margaretha Geertruida MacLeod-Zelle (1876-1917), roepnaam ‘Gretha’, vanuit Parijs opnieuw een lange brief schrijft aan haar aangetrouwde neef Edward Donald Henry MacLeod (1842-1922) in Nijmegen. De gepensioneerde kolonel infanterie, generaal-majoor tit. bekommert zich duidelijk om haar. Het heeft haar „groot pleizier gedaan”. Ze staat er nu tenminste niet alleen voor.

In krachtig schoonschrift doet ze op crèmekleurig briefpapier verslag van haar wederwaardigheden en ze verzoekt om hulp. De envelop heeft ze gepost in de Rue Le Peletier, niet ver van het Grand Hôtel, de locatie die jaren later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, een beslissende rol zou spelen in haar ondergang.

De brief was tot nu een goed bewaard geheim en maakte deel uit van een familiearchief: bijna vijftig brieven van, aan en over de vrouw die wereldwijd bekend en berucht zou worden als Mata Hari. Ze dateren uit de periode september 1902-juli 1904, toen Margaretha en haar man Rudolph MacLeod in een vechtscheiding waren beland. Voor het eerst komt deze onthullende correspondentie aan het licht in Denk niet dat ik slecht ben.

Waarom de egodocumenten zo lang verborgen bleven, vertelt erfgenaam Edmond Angenot: „Na het overlijden van mijn moeder vond ik dozen vol familiearchief in de kelder. Daaronder een bundel brieven in envelop met een koordje eromheen en deze korte notitie: ‘Brieven van M-H aan mijn grootvader E.H.D. MacLeod en andere stukken’.” In zijn beschutte tuin laat de gepensioneerde revalidatiearts de notitie van zijn moeder zien. Rechtsboven heeft ze een woord doorgekrast. Tegen het zonlicht gehouden, wordt een naam leesbaar: Mata-Hari.

„Mijn moeder sprak zelden over Mata Hari en dan alleen terloops”, zegt Angenot, „maar uit correspondentie die ik vond, blijkt dat mijn ouders vragen van journalisten steeds afwimpelden. Mata Hari was een familieaangelegenheid. Ik denk dat ze zich geneerden”, vermoedt Angenot, die diverse boeken in de kast heeft staan over het voorgeslacht van zijn moeder, de MacLeod-clan, een oude Schotse familie. „De mésalliance van middenstandsdochter Gretha Zelle met Rudolph MacLeod was niet het probleem, maar wel haar ter dood veroordeling voor spionage: het laagste van het laagste voor een familie die haar sporen in het leger had verdiend.”

Edward MacLeod, de overgrootvader van Edmont Angenot, fungeerde als pater familias. Aan hem verzoekt Rudolph financiële steun wegens de scheiding van Gretha en bij hem lucht Gretha haar hart. De generaal-majoor in ruste is druk in de weer een oplossing te zoeken. Het gaat niet eenvoudig. Rudolph weigert alimentatie te betalen en Gretha, die hun dochter bij kennissen heeft ondergebracht, heeft haar fiets verkocht en tracht in Parijs aan de kost te komen. Ze probeert van alles: ‘dame de compagnie’, mannequin, ze heeft een ‘probe de chant’ gedaan bij de Opéra Comique en zich aangeboden voor pianolessen en ‘Duitsche conversatie’.

Poseren hoort ook tot de mogelijkheden, al weigert ze aanvankelijk, als een schilder haar graag ziet in ‘plume de Syrie’ (struisvogelveren). Ze wil „correct” blijven, „voor mijn kind”. Maar nood breekt wet. Ze vertelt dat „de groote schilder” Octave Guillonnet haar afbeeldt: „Het is heel mooi, ik wist niet dat ik er zoo goed uitzag.” En hoewel het poseren vermoeit, het resultaat telt: „Enfin, ik kijk in de portemonnee en ben contente.” Hoe het verder gaat weet ze niet, maar ze houdt moed: „Ik heb nogal een courageuse karakter en altijd illusies die weliswaar dikwijls vervliegen maar ik leef in hoop op een betere toekomst.”

Het enerverende verloop van de scheiding en Gretha’s pogingen een eigen leven op te bouwen, krijgen nog meer reliëf door brieven van familieleden, vrienden en diverse juristen en militairen die door Edward worden geraadpleegd. Zo laat hij zijn zoon Donald naspeuringen doen naar Gretha en zijn neef Rudolph. Rudolph MacLeod blijft door zijn notoire schulden, brute gedrag, gok- en drankzucht, zijn omgang met vrouwen en zijn weigering de toelage aan Gretha te betalen, beslist in gebreke, constateert Donald na lezing van haar brieven en een bezoek aan de notaris van het echtpaar. De scheiding is voorlopig afgestuit op het kind dat ze beiden willen hebben. Gretha riskeert weliswaar in Parijs „de slechte weg” op te gaan en de Parijse betrekkingen nodigen uit tot „la petite faute”, meent hij, maar zij is slachtoffer van de situatie: „Ze ging over uit de handen van een patservader in die van een patserechtgenoot.”

Om een scheiding af te dwingen zonder alimentatieplicht laat Rudolph zijn vrouw schaduwen. Hij wil haar op overspel betrappen, schrijft Gretha verontwaardigd. We weten inmiddels uit een andere ongepubliceerde bron, dat hij daartoe een bijklussende politieman inschakelde. Deze rapporteerde hem toen ze bij een vriendin in Scheveningen logeerde: „Uw vrouw is drie avonden zeer laat en ’s nachts in haar bed ‘gecontroleerd’ doch zij was steeds alleen.”

Gretha’s intelligente brieven – naarmate de weken verstrijken steeds vaker doorspekt met Franse uitdrukkingen – getuigen van een opvallend open gemoed en een krachtig geloof in zichzelf. Onomwonden onthult ze Edward bijzonderheden over „ons keurig leven”. Ze noemt de geslachtsziekte van Rudolph weliswaar niet bij naam, maar haar dochter en zij zijn behandeld met kwik – wat duidt op syfilis. Ze heeft twee kuren gehad, „ingewreven, om beurten de beenen en armen in een kruis, en te Amsterdam een jaar daarna 5 maal daags een kwikpil”.

Ze wil uit het huwelijk weg, dat is zeker, maar niet zonder slag of stoot: ze heeft rechten, haar man heeft zich verplicht 50 gulden per maand te betalen. Dus vraagt ze Edward in december dringend Rudolph „op zijn plicht en eer” te wijzen en haar kind aan haar te geven. In haar Parijse huurkamertje niet ver van de kunstenaarsbuurt in Montmartre, formuleert ze haar dilemma: „Ik ben moe van dat vechten tegen het leven en ik wil een van tweeën: óf Nonnie bij me en een fatsoendelijke moeder zijn óf ik ga leven zooals me hier zoo schitterend wordt aangeboden. Ik weet wel dat dat leven eindigt met een ongeluk – maar daar ben ik overheen.” Ze hoopt dat Edward haar spoedig uitsluitsel kan geven, „want om fatsoendelijk te blijven, heb ik niet lang meer de tijd”.

Terug uit Parijs voor haar kind en om de alimentatie af te dwingen, logeert Gretha begin januari 1904 bij Edward en zijn vrouw Anna in Nijmegen. De 61-jarige oud-militair, een verwoed amateurfotograaf, was duidelijk gecharmeerd van zijn knappe aangetrouwde nicht. Haarscherp en sfeervol portretteerde hij de 27-jarige Gretha, nu eens in winterjas op een landweg dan weer ingetogen glimlachend als Spaanse schone, en zelfs met loshangend haar in een japon met ontblote schouders.

Als hij zijn neef Rudolph uiteindelijk tot de orde roept, en hem sommeert zijn plicht te vervullen door in het levensonderhoud van Gretha te voorzien, reageert die met zwaar geschut. Pagina’s lang bestookt hij Edward met een retorische reeks: „Is het u bekend dat…”, waarop beschuldigingen volgen aan het adres van Gretha. Ze gaan over de dubieuze reputatie van haar vader, haar leugens, haar buitensporige uitgaven aan een „voorjaarscostuumpje” en een „zomerhoedje” en tot slot haar „overspelige handelingen”.

In een bijtend repliek dankt Edward zijn neef voor diens „inlichtingen”. Hij heeft Gretha gewaarschuwd indien „zij zich ernstig misdraagt”, maar staat pal voor haar: „als er ooit een vrouw is geweest aan wie veel, zoo niet alles moet vergeven worden, dan is zij [het] die met het oog op de omstandigheden en die waarin zij vóór en na haar huwelijk is geplaatst geweest.”

Gretha heeft Nijmegen dan al verlaten. Ze woont nu bij familie in Den Haag, maar zoekt een kamer in Rotterdam. Ook deze episode werpt een volstrekt nieuw licht op haar biografie: ze repeteert tot haar vreugde bij een theatergezelschap aan de Coolsingel. Eind maart zit ze diep in put: „ik had geen cent meer en heb me toen coute que coute gered. Glissez, glissez.” Toch wil ze zich „niet weer weggooien om een pension te kunnen betalen”. Ze vraagt Edward om vergeving. „Denk niet dat ik slecht ben in mijn hart, ik doe het alleen of liever heb het gedaan uit armoede.”

De geknechte jonge vrouw, moeder van een gestorven kleuter en een peuter, ontworstelt zich uit het onmogelijk huwelijksleven van twee mensen die niet bij elkaar bleken te passen. Het kan allemaal goed komen, is de strekking van alle raadgevers in haar omgeving, als ze zich maar zou voegen naar de heersende normen. Gretha wist wel beter. Mannen maken misbruik van je: je kon een toneelrol krijgen, maar dan moest je iets beginnen met een bestuurslid.

Rudolph bindt in en laat Edward weten haar een „liefderijk tehuis” en „een gezonde, landelijke omgeving” te bieden. Maar dat kan niet meer, antwoordt ze Edward niet zonder gevoel voor humor: „In de verte zag ik de heide met een hutje en daarin ‘das glückliche ehepahr’. Ik denk dat mijn waardige man in stilte een lief plan heeft gemaakt om echtgenoote en vader tesamen onder de aarde te stoppen, maar daar is niet veel kans op. Hij zal heusch alleen moeten gaan.”

„Holland benauwt me”, verzucht ze voor ze opnieuw naar Parijs vertrekt. „Adieu oom, nogmaals vergeef me als ik u verdriet deed en wees niet hard tegen uwe Gretha.”

De brievencollectie eindigt in juli 1904. ‘Niet beantwoord’ staat er met potlood geschreven op de laatste twee enveloppen van Gretha. Edward MacLeod trok, zoals hij haar had gewaarschuwd, zijn handen van haar af. De familie knoopte een koordje om het pakket brieven en borg het weg.

Denk niet dat ik slecht ben vertelt een zeer indringend en meeslepend verhaal. Zelfs zónder de verbinding met de mythische naam Mata Hari wordt de rechteloze positie van de vrouw van een eeuw geleden in alle facetten zichtbaar. Door de schenking van de rijke brievencollectie van Edward MacLeod – noblesse oblige – aan Tresoar, het centrum voor Friese geschiedenis en cultuur in Leeuwarden, heeft de achterkleinzoon het familiegeheim nu ontsloten en daarmee openbaar gemaakt hoe Margaretha Geertruida Zelle ertoe kwam Mata Hari te worden.

Denk niet dat ik slecht ben. Margaretha Zelle vóór Mata Hari. Red. Lourens Oldersma. Tweetalige uitgave: Nederlands-Engels. Voorwoord Marita Matthijsen-Verkooijen, 216 blz., 25 euro, geïll., Uitgeverij Bornmeer Gorredijk & Tresoar Leeuwarden. De auteurs Angela Dekker en Jessica Voeten werken aan de biografie over Mata Hari en haar tijd die in 2017 bij uitgeverij Atlas/Contact zal verschijnen.