Assads regime lijkt te winnen, maar staat zwakker dan ooit

Offensief in Syrië Het regime lijkt aan de winnende hand. Maar in werkelijkheid staat Assad zwakker dan ooit. Lokale krijgsheren, buitenlandse huurlingen en Russische bommenwerpers houden hem overeind

Foto Abdalrhman Ismail/Reuters

Is de beslissende slag om Aleppo begonnen? Sinds de wapenstilstand tussen de Verenigde Staten en Rusland vorige week in elkaar klapte, heeft het regime een groot offensief gelanceerd om het door rebellen gecontroleerde oosten van de stad te heroveren. Burgers spreken van de zwaarste bombardementen sinds het begin van de oorlog. Syrische en Russische gevechtsvliegtuigen zaaien dood en verderf met brandbommen en ‘bunker busters’, uitzonderlijk zware bommen die schuilkelders en tunnels in puin kunnen leggen. Nergens is het nog veilig.

Het is opmerkelijk dat de kansen zo snel zijn gekeerd. Een jaar geleden nog werd de machtsbasis van het regime aan de kust bedreigd. In een vaak aangehaalde toespraak erkende president Assad zelfs dat zijn leger kampte met een groot tekort aan manschappen en zich moest terugtrekken van frontlinies. Maar sinds Rusland en Iran te hulp schoten om het dreigende echec te voorkomen, is het regime weer in het offensief. Inmiddels spreekt Assad vol zelfvertrouwen over de herovering van heel Syrië.

Maar dit is niet erg realistisch. Het regime is na vijf jaar oorlog niet meer de totalitaire staat die het was. Is Assad inderdaad in staat om het oosten van Aleppo te heroveren, en de oppositie te verdrijven uit de laatste grote stad die ze in handen heeft? Of is het regime veel zwakker dan het lijkt, maar wordt dat door het Russische machtsvertoon gecamoufleerd?

Zonder de steun van Rusland, en de hulp van tienduizenden strijders uit Irak, Iran, Libanon en Afghanistan zou het regime instorten, zegt Tobias Schneider, een defensieanalist die onderzoek doet naar het Syrische leger telefonisch vanuit Washington. Voor de goede orde: het regime is gefragmenteerd, maar redelijk intact, zegt hij. „Maar van het leger is niet veel meer over. Het logistieke skelet is wel redelijk ongeschonden. Maar door verliezen en deserties is er een groot gebrek aan manschappen. Een collega sprak in Moskou met Russische veiligheidsfunctionarissen, die een analyse hadden gemaakt van het leger. Zij zeiden dat er nog maar zesduizend militairen over zijn die ingezet kunnen worden bij een offensief. Ik denk dat het leger al een jaar niet meer op eigen kracht offensieve operaties heeft uitgevoerd.”

De aanval op Aleppo wordt dus niet uitgevoerd door het leger, maar door een losse alliantie van lokale strijdgroepen, troepen van de Libanese beweging Hesbollah, en shi’tische milities die bestaan uit Irakezen, Iraniërs en Afghanen. Het is tekenend voor de troepenmacht van het regime. Naarmate het leger meer in verval raakte, viel het regime terug op allianties met diverse lokale milities, stammen en krijgsheren. Deze allianties zijn vooral gebaseerd op persoonlijke relaties.

Het gevolg van dit web aan allianties is politieke stabilisatie, zegt Schneider.

„Iedereen heeft belang bij het overleven van het regime. Tegelijkertijd leidt het tot verregaande fragmentatie van de strijd. Omdat het regime afhankelijk is van lokale milities en krijgsheren, met hun eigen belangen, kan het niet langer een groot aantal troepen mobiliseren en overal een offensief beginnen.”

Om grip te krijgen op die strijdgroepen richtte het regime de Nationale Defensiemacht op, een overkoepelende organisatie die formeel deel uitmaakt van de militaire hiërarchie. De milities moeten zich melden bij een lokaal militair kwartier, waarna ze wapens en soldij krijgen.

Tijgertroepen

Maar de machtigste milities vallen niet onder de commandostructuur van het leger, zorgen voor hun eigen wapens en betalen zelf soldij. Twee milities knappen het meeste zware werk op: de Tijgertroepen en de Woestijnhaviken. „Zij reizen het hele land door om lokale conflicten of rebellenoffensieven neer te slaan”, zegt Schneider.

„Ze smeden ad-hoccoalities met lokale stammen, milities en buitenlandse troepen en richten een tijdelijk commandocentrum op. Momenteel vechten ze in Aleppo samen met troepen uit Libanon, Iran en Irak.”

De Tijgertroepen komen voort uit de gevreesde inlichtingendienst van de luchtmacht. Ze worden geleid door Suheil Hassan, een officier van de dienst die zeer succesvol was in het neerslaan van de protesten tegen president Assad in de provincie Hama. Daarvoor smeedde hij een coalitie van luchtmachtofficieren, stamleiders en criminelen, die de basis vormden voor zijn militie. Inmiddels telt de militie volgens Schneider zo’n twee- tot drieduizend strijders, die berucht zijn vanwege hun criminele activiteiten, zoals afpersing en de smokkel van olie, wapens en mensen, ook naar de rebellen en de terreurgroep Islamitische Staat.

Bekijk ook de fotoserie van een apocalyptisch ogend Aleppo

Ook aan de belegering van burgers verdienen milities en krijgsheren veel geld. Veel van die blokkades zijn zo lek als een mandje, zegt Schneider. „Neem Goutha, een oostelijke buitenwijk van Damascus, die in handen is van de rebellen. Goutha wordt bevoorraad via tunnels. De ene kant van de tunnel is in handen van het regime, de andere van de rebellen. Beide partijen werken echter voor dezelfde generaal, die geld verdient aan de smokkel van voedsel. Hij is uitgegroeid tot een van de rijkste mannen van Damascus.”

Hobbesiaanse nachtmerrie

De criminele activiteiten van de milities en krijgsheren leiden soms tot conflicten met de staat. Zo hield het Syrische leger twee maanden geleden een konvooi vrachtwagens aan in de provincie Hama. De trucks waren eigendom van een machtige crimineel die werkt voor de Tijgertroepen. In de vrachtwagens stuitten ze op een grote partij wapens die verstopt waren onder zakken meel. De wapens waren bestemd voor rebellengebied.

Er brak een langdurig vuurgevecht uit tussen het leger en de smokkelaars. Maar de smokkelaars waren te sterk en wisten te ontkomen. De frustratie in het leger was groot, zegt Schneider, die een rapport over het incident in handen kreeg van de provinciale veiligheidsraad van het leger.

„De militairen zien hen als criminelen, maar ze kunnen niks tegen ze doen. Politiek gezien zijn deze milities loyaal aan het regime. Maar in zekere zin zijn ze machtiger dan de staat, en dat weten ze. Ze delen de lakens uit op de grond en daar gedragen ze zich naar.”

Lokaal leidt de fragmentatie van het regime tot een hobbesiaanse nachtmerrie van ieder voor zich, zegt Schneider. „Veel milities bestaan uit ordinaire criminelen die geld verdienen met smokkel en ontvoering van burgers. De Tijgertroepen hebben zelfs hun eigen gevangenis, in een voormalig jeugdkamp. Soms ontvoeren ze hele dorpen en persen ze de families af voor losgeld.”

Het regime heeft nauwelijks grip op die machtige krijgsheren. Om zich te verzekeren van hun loyaliteit, zegt Schneider, krijgen ze hoge posities. Bijvoorbeeld in de Kamer van Koophandel, die voorheen werd gebruikt om de grote sunnitische families van Damascus tevreden te houden. Die mensen zijn inmiddels vervangen door krijgsheren. Bij de laatste verkiezingen hebben veel krijgsheren een zetel in het parlement bemachtigd.”

De alliantie met stammen en milities mag dan voor stabiliteit zorgen, op langere termijn leidt deze strategie tot uitholling van de staat en verdere fragmentatie van Syrië.

„Het zal waarschijnlijk eindigen zoals de burgeroorlog in Libanon, waar iedereen tegen elkaar vocht.”