Opinie

Wie wil er wonen in een megastad? Bijna niemand

Opinie Planoloog Zef Hemel promoot in NRC de ontwikkeling van megasteden. De nachtmerrie van Friso de Zeeuw. „In Londen loopt de reistijd op tot drie uur.”

De skyline van Chicago. Foto Kiichiro Sato/AP

‘Echte grootstedelijkheid’ en ‘metropoolvorming’. Daar heeft ons land volgens planoloog Zef Hemel behoefte aan. Hij houdt ons megasteden met meer dan tien miljoen inwoners zoals Los Angeles, New York en zelfs Shanghai voor als wenkend perspectief. In werkelijkheid schetst hij een perfecte nachtmerrie.

Lees hier het stuk van Zef Hemel: De metropool als wereldwonder

Laten we eerst kijken naar de succesvolste steden en agglomeraties. Op de bovenste plaatsen van internationale onderzoeken prijken steevast plaatsen als Vancouver, Zürich, Kopenhagen, Sidney, Auckland, München en Wenen. Amsterdam komt in de buurt van deze kopgroep. Ze doen het economisch goed en de mensen wonen, werken en recreëren er prettig. Het inwonertal varieert er van een half tot twee miljoen. Met de regiogemeenten erbij – de agglomeratie – komt het doorgaans niet boven de 2,5 miljoen.

De lijst van de grootste stadsagglomeraties ziet er totaal anders uit. In de top 20 zouden wij echt niet willen wonen. Alleen New York (11 miljoen inwoners) vormt voor sommigen een uitzondering. Dus als het gaat om de vraag waar het prettig leven is: de vlag uit voor de kleine en middelgrote stadsregio!

Ook Hemels stelling dat megametropolen economisch robuuster zijn, mist grond. Kijk naar de ondergang van Detroit, een agglomeratie van vijf miljoen inwoners. Het draait niet om de omvang van de agglomeratie, maar om diversiteit in economische activiteiten, wendbaarheid en aanpassingsvermogen. En om krachtige, lokale coalities van bestuur, bedrijfsleven en kennis. Daarom staan Boston, Eindhoven en Bordeaux er nu goed voor.

Voor ons eigen land gelden nog extra redenen om het pleidooi van Hemel te verwerpen. Nederland kent een relatief kleinschalige stedelijke structuur. Dat heeft meer voor- dan nadelen. De afwisseling tussen stadsbebouwing, voorzieningen, groene ruimte en water op korte afstand waarderen wij. ‘Nabijheid’ is het sleutelwoord. Ook internationaal vindt onze verstedelijking erkenning.

Concentrische megasteden kampen met scheiding van inwoners naar welstand en inkomen. Londen is daarvan een voorbeeld. Hoge huizenprijzen in centrale delen van de stad drukken de werkenden mensen steeds verder naar de buitenkant van de stad. Reistijden lopen op tot meer dan drie uur. Kleinere, maar complete steden voorkomen deze vergaande segregatie en hebben dus ook uit sociaal oogpunt voordelen.

Het landelijk gebied vereenzelvigt Hemel in zijn betoog met ‘megastallen, golfcourses, outletcenters, kassen, dozen’. Deze voorzieningen komen we inderdaad in het buitengebied tegen. Niet allemaal even mooi, maar ze vervullen een economische functie en zorgen voor werk. Zijn typering doet onrecht aan het landelijk gebied; denk aan de groene recreatie- en natuurgebieden in de directe omgeving van de steden, op fietsafstand. Megasteden hebben dat niet.

„Nederland mag niet verworden tot een lappendeken van steden en stadjes, omcirkeld door spoorlijnen en snelwegen”, stelt Hemel met afschuw. Welnu: dat is Nederland al lang. En dat moeten we koesteren en niet laten ruïneren door het waandenkbeeld van de megastad.