Cultuur

Interview

Interview

Jorge Luis Prats

Benjamin Ea Lovega

Soms voel ik mij een stier

Interview Jorge Luis Prats

De Cubaanse pianist speelt zondag ‘Iberia’ van Isaac Albéniz.

Het verschil tussen dansen met je voeten en dansen met je heupen? Jorge Luis Prats demonstreert het aan de vleugel, overigens met zijn hánden: eerst speelt hij een stukje van de Spaanse componist Isaac Albéniz rechtdoorzee, keurig in de maat. Daarna verschijnt een glimlach op zijn gezicht, terwijl hij dezelfde muziek op magische wijze laat uitdijen en weer inkrimpen, ongrijpbaar sensueel.

Statig stadspaleis

Hoe doet hij dat toch? De pianist zegt stellig: „Ik kan het met woorden niet uitleggen. Het is een gevoel voor de ritmiek van de muziek, kennis van de toonsoort en van de volkse oorsprong van de muziek van Albéniz.”

Prats zit waar je een Cubaanse meesterpianist niet meteen verwacht: aan een vleugel in de eetkamer van een statig stadspaleis, in de gouden bocht van de Amsterdamse Herengracht. Eerder rookte hij even een sigaret op het bordes. „Kijk nou wat een heerlijke drukte hier op straat! In Florida waar ik woon, hebben ze niet eens een stoep, laat staan voetgangers.”

Een volle week heeft Prats om zich in dit huis van vrienden voor te bereiden op een wellicht historisch recital. Zondag speelt hij in het Concertgebouw namelijk de complete vier boeken Iberia (1905-’09) van Albéniz, vol Spaanse sfeerschetsen. Een anderhalf uur durende primeur voor de serie Meesterpianisten (Alicia de Larrocha deed het in Amsterdam in de jaren tachtig), maar ook voor Prats zelf: als vele anderen speelde hij wel losse delen maar nooit de complete set. „Dit is de moeilijkste muziek die ooit voor piano is geschreven”, beweert hij. „Alleen al technisch is het een uitdaging, met elk afzonderlijk deel ben je een jaar aan studeren kwijt.” Iberia telt twaalf delen.

Stierengevecht

Maar het is dus vooral het muzikale aspect dat uitdaagt. Hoe geef je de juiste bezieling aan de elementen van fandango, zapateado, tarantas? Prats grijpt weer in de toetsen. „Een voorbeeld uit Almería. Deze muziek laveert voortdurend tussen zesachtste- en driekwartsmaten. Die duren even lang, maar die speel je niet als een robot. Terwijl je in de zesachtsten spanning opbouwt, kun je in de driekwarten weer even ontspannen. Het is net als in een Spaanstalige zin. En je moet de context kennen. Jerez stelt een stierengevecht voor; in die muziek voel ik mij van binnen als een stier, vol ingehouden spanning die af en toe uitbarst.”

Wie niet weet hoe je een menuet danst, snapt niet wanneer je een menuet van Bach te snel speelt.

Helpt het voor een dieper begrip van Albéniz dat Prats een Cubaan is? Zoals de pianist het uitlegt: „Cubaanse muziek, dat zijn Spaanse melodieën met een Afrikaans ritme. Dit weerspiegelt de geschiedenis van mijn land: eerst woonden er Indianen, die werden bruut uitgemoord door de Spanjaarden. Vervolgens importeerden zij Afrikaanse slaven.”

Castrobewind

In 1956 werd Prats geboren in Camaguëy. In Havana volgde hij een muziekopleiding, in 1977 won hij het Marguerite Longconcours in Parijs. Daarna verdween hij van de westerse radar: het Castrobewind frustreerde zijn internationale carrière en liet hem slechts sporadisch optreden in het buitenland. Dirigent van het Orquestra Nacional in Havana bleek het hoogst haalbare.

In 2002 verliet Prats Cuba, zijn verzameling van veertien piano’s achterlatend, en vertrok naar Spanje waar hij de Spaanse nationaliteit kreeg toegekend. Hij gaf er pianoles, vestigde zich bij zijn broer en moeder in Miami, en werd ondertussen in Europa en de Verenigde Staten met verbazing herontdekt. Recensenten horen bij zijn Chopin- en Villa Lobosspel een syncoperende baslijn en volvette middenstemmen. In 2008 debuteerde de vijftigplusser eindelijk in Amsterdam.

Af en toe keert Prats weer terug naar familie op Cuba. Maar politiek? Prats haat het onderwerp en wil er niet meer over praten. Een tv-interview waarbij de eerste vraag over Castro ging, bleek meteen einde interview. Muziek, daar leeft Prats voor. Hij pakt de bladmuziek van Ibería er nogmaals bij. „Al die dynamische aanwijzingen die Albéniz voortdurend plaatst, wat moet je ermee? Kijk, hier fortissimo, een paar maten verder weer, enzovoort. Dit zijn stampende voeten bij het dansen! Maar het moet niet alleen maar hard, zoals de zachte passages niet slechts zacht zijn. Als Albéniz pianissimo een ‘canto jondo’ citeert, heeft hij van die hese krakende stemmen in gedachten. Maar hoe schrijf je dat in hemelsnaam om in klassieke muzieknotatie? Je moet het voelen.”

Salsa bestaat niet

Dansen helpt ook. „Ik kan helaas zelf niet dansen maar verblijf graag in ruimtes waar gedanst wordt door anderen. Wie niet weet hoe je een menuet danst, snapt niet wanneer je een menuet van Bach te snel speelt. Voor Albéniz geldt hetzelfde. Hij schreef in feite popmuziek.”

Dit is de moeilijkste muziek die ooit voor piano is geschreven.

Kunnen ook modernere Cubaanse dansvarianten zoals salsa worden herleid in Iberia? „Sorry, maar salsa bestaat niet. Die muziek is in feite de traditionele ‘son’ uit Cuba. En sorry, maar reggaeton bestaat ook niet: dat is niets anders dan de oude habanera. Het enige verschil is dat de moderne stijlen door elektronisch versterkte instrumenten worden uitgevoerd. Daardoor gaan de subtiliteiten in de puls verloren. En ja, dan dans je dus met je voeten in plaats van met je heupen.”

Jorge Luis Prats. 2/10 Concertgebouw Amsterdam. Inl: meesterpianisten.nl