Column

Liefdesbrieven (2)

In 2009, ruim veertig jaar na de zelfmoord van zijn minnares Ingrid Jonker, kwam André Brink in Tweesprong, zijn memoires, terug op hun relatie. Ik las het desbetreffende hoofdstuk pas nadat ik hun liefdesbrieven in Vlam in de sneeuw, waarover ik gisteren schreef, had gelezen. Die correspondentie riep zoveel vragen bij me op dat ik op zoek ging naar meer informatie.

Brink geeft die met mate; ik had er meer van verwacht. In een boek van ruim 500 pagina’s wijdt hij er 27 aan Jonker: het hoofdstuk Ingrid: een leven na de dood. Het houdt niet over voor een relatie die zoveel invloed op beider leven heeft gehad. „Misschien ben ik het wel aan haar verschuldigd”, schrijft hij zuinig in het begin. Hij voldoet aan een verplichting, daar komt het op neer.

Toon en inhoud zijn navenant, ze hebben iets defensiefs. Brink klaagt over „al die aasgieren” die zich na haar dood op Jonker hebben gestort; hij bedoelt allerlei „presentators, filmmakers en toneelschrijvers”. Ik ken niet al hun producten over dit onderwerp, maar ik neem aan dat ze niet altijd vleiend zijn geweest over de rol van Brink. De vraag is of daar reden voor was.

Brink heeft de schijn tegen: Jonker pleegde zelfmoord kort nadat hij haar nogal slordig en kil had verruild voor een ander. Dat betekent uiteraard niet dat hij schuldig is aan die zelfmoord, maar wel rijst de vraag of er causaal verband was tussen deze gebeurtenissen. Die vraag gaat Brink in zijn memoires uit de weg.

In plaats daarvan doet hij een verwoede poging om uit leggen dat zelfmoord in haar geval onontkoombaar was. Hij beschrijft haar als een ziektegeval, een neurotische, labiele vrouw met een „bijna pathologische” fixatie op zelfmoord. Het beeld dat hij van haar schetst wordt gaandeweg steeds ongunstiger. Ze is iemand die een rol speelt, die drang heeft „om te worden gezíén als de verschoppeling, de geminachte, de afgewezene, de onbegrepene, die het medelijden van anderen opzuigt als een spons om er haar emoties mee te prikkelen en er poëzie uit te wringen.”

Jonker kon volgens haar ex-minnaar ook „ongelooflijk wreed zijn, onachtzaam ten opzichte van anderen (vrienden, minnaars, familie, haar kind)”. Zo blijft er in deze memoires weinig meer van haar over dan een egoïstisch monster.

Hoe kon hij het toch nog twee jaar met haar volhouden, vraag je je onwillekeurig af, en al die honderden liefdevolle, bewonderende brieven schrijven die nu in Vlam in de sneeuw staan? En als het waar is wat hij schrijft, rijst er weer een andere vraag: had hij de liefde met juist deze labiele vrouw niet op een andere manier moeten beëindigen dan met een lullig briefje?

Petrovna Metelerkamp, een biografe van Jonker, verwijt Brink dat hij de relatie verbrak toen ze hun gezamenlijke boek Orgie voltooid hadden en hij haar niet meer nodig had. Metelerkamp publiceert in haar boek Ingrid Jonker – beeld van ’n digterslewe een brief van 13 februari 1965, waarin Jonker hem schrijft dat ze misschien zwanger van hem is: „Ek het waarskynlik ’n fout gemaakt met die pille.” Ze heeft die brief nooit verstuurd, van een zwangerschap is nooit iets gebleken. Ze was zo desperaat, vermoedt Metelerkamp, dat ze een manier zocht om Brink aan zich te binden.

Love hurts, zongen de Everly Brothers, ook in het jaar 1965.

Frits Abrahams