Opinie

Fasseur keek juist níét weg van oorlogsmisdaden

Opinie Historicus Cees Fasseur stond aan het begin van een kritische geschiedschrijving over oorlogsmisdaden in Indonesië, schrijft Jan Bank. Het huidige beeld in de media over hem klopt niet.

De omstreden luitenant-generaal Simon H. Spoor geeft kruis van verdienste aan KNIL-militairen, Indonesië, 1947. Historicus Fasseur wordt verweten weggekeken te hebben bij oorlogsmisdaden van Spoor. Foto Hollandse Hoogte.

Cees Fasseur, in maart overleden, heeft een doorslaggevende rol gespeeld in de geschiedschrijving van de excessen tijdens de dekolonisatie van Indonesië (1945-1949). Dit in tegenstelling tot wat er over hem nu rondzingt in de media. Hij deed dat in een dubbelspoor: als jurist en historicus.

In 1969 kaartte de veteraan Joop Hueting de oorlogsmisdaden aan in interviews in de Volkskrant en voor de VARA-televisie. Hij maakte een einde aan het collectieve stilzwijgen, dat twintig jaar had geduurd.

Het eigentijdse debat over de excessen van 1948 en 1949 werd daarna gedoofd uit voorzorg voor terugkerende militairen en onder invloed van het conflict om Nieuw-Guinea.

Het kabinet-De Jong probeerde in 1969 de hoogoplopende discussie te pareren met archiefonderzoek; niet met een schrijfopdracht. Fasseur, toen ambtenaar op Justitie, moest de archieven in en produceerde na vier maanden een opsomming van een groot aantal feitelijke excessen.

Deze Excessennota (in 1995 heruitgegeven) werd de aanleiding voor een officiële en meerdelige bronnenuitgave van de dekolonisatie van Indonesië. Die bood op zijn beurt gelegenheid tot nieuwe deelstudies, waarin de geweldsexcessen een permanent, zij het niet uniek thema vormden.

Twee decennia later, in maart 1987, stelden Joop den Uyl en Henk Knol (PvdA) er vragen over aan premier Lubbers. Acht de premier „thans niet het tijdstip (…) aangebroken om een opdracht te geven” voor een samenvattend historisch onderzoek? Het antwoord was net als in 1969 ‘nee’.

De regering moet, aldus Lubbers, geen directe opdrachten tot geschiedschrijving geven, maar zich beperken tot het beschikbaar stellen van bronnen. Want geschiedschrijving is per definitie gekleurd. „In geval van staatsopdrachten zal de regering worden verbonden of althans geassocieerd met de visie van de historicus, hetgeen als ongewenst moet worden beschouwd.” De regeringsopdracht aan Loe de Jong om Nederland in de Tweede Wereldoorlog te beschrijven, is, aldus Lubbers, te zien als „hoge uitzondering”.

Den Uyl had recht van spreken omdat hij zich in 1969 had beijverd om een parlementair en historisch onderzoek naar de geweldsexcessen tot stand te brengen. Was het in 1969 Hueting, in 1987 was het De Jong die hem tot vragen stimuleerde.

De beoogde auteur van het standaardwerk over de dekolonisatie was Cees Fasseur. In Lubbers’ weigering vertaalde zich ook de ergernis van het ministerie van Algemene Zaken, permanent door critici aangesproken op de conclusies van ‘rijksgeschiedschrijver’ De Jong. Het wilde geen herhaling van zetten. De Kamervragen vormden de opmaat voor het tumult dat in het najaar van 1987 opstak, voorafgaand aan de verschijning van deel 12 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. In het concept, dat De Telegraaf openbaar maakte, werd voor sommige geweldsexcessen de term „oorlogsmisdrijven” gebruikt. Dat leidde tot openbare kritiek op een boek dat nog niet was verschenen.

In de zogeheten begeleidingsgroep, die de teksten van De Jong vooraf moest bespreken, stelde Fasseur zich op aan de kant van de auteur. Een deel van de „excessen” was te kwalificeren als oorlogsmisdaden. Fasseur betoogde dat de term „oorlogsmisdrijven” al vele jaren eerder werd gebruikt en dus „ook door De Jong gebruikt kan worden”. De Jong ging evenwel overstag en gebruikte uiteindelijk het woord „excessen”. In deel 14, een publicatie van reacties op het werk van De Jong, hebben Peter Romijn en ik deze discussie samengevat.

In 1992 kreeg Fasseur de opdracht om een biografie te schrijven van koningin Wilhelmina. Toen ging zijn aandacht uit naar de monarchie. Maar hij staat wel aan het begin van een kritische geschiedschrijving over oorlogsmisdaden in Indonesië.