De kijkers thuis

We zagen het Hillary Clinton deze week doen in haar debat met Donald Trump. En de week ervoor Geert Wilders, toen hij voor de rechter stond in verband met zijn vraag of wij in Nederland meer of juist minder Nederlandse burgers willen met een Marokkaanse achtergrond.

Clinton richtte zich op een gegeven moment voor haar gelijk „tot de mensen thuis”. Wilders richtte zich niet alleen verbaal tot „de kijkers thuis”, maar keek ze ook aan. Hij wende zijn hoofd naar de camera en merkte op dat de kijkers thuis het zonder twijfel ook van een groot onrecht vonden getuigen dat hij zich hier nu voor de rechter moest verantwoorden, terwijl andere politici, die wel ergere dingen hadden gezegd, enzovoorts.

De mensen thuis en de kijkers thuis – dat is een vaste verbinding die volgens mij nog niet in onze woordenboeken is vastgelegd. Danken wij deze formulering aan de televisie en zo ja, sinds wanneer zeggen we dit in het Nederlands?

Even een kleine abstractie: een uitdrukking als de mensen thuis kan natuurlijk alleen ontstaan als de zender (iemand die iets zegt) zich op een andere locatie bevindt dan de ontvanger (degene die de boodschap ontvangt).

Die situatie deed zich niet het eerst bij de televisie voor maar bij de radio. Aan de wortels van de kijkers thuis ligt dan ook de luisteraars thuis. Een van de eerste Nederlandse radioprogramma’s werd in 1919 uitgezonden door Hanso Schotanus à Steringa Idzerda (een omroeppionier die boven de deur van zijn thuisstudio een bordje had hangen met de tekst „Brandt dit licht, dan koppen dicht”).

Maar het duurde nog tot ver in de jaren twintig totdat veel mensen thuis een radiotoestel hadden. Historische radio-uitzendingen zijn helaas niet op woorden te doorzoeken, oude kranten wel. Daarin vond ik de luisteraars thuis vanaf 1929. Het eerst in een klagerig stuk getiteld „Wij wachten op radio-muziek”.

De kijkers thuis houdt vanzelfsprekend verband met de komst van de televisie, maar de uitdrukking is net iets ouder dan de eerste officiële Nederlandse televisie-uitzending, op 2 oktober 1951. Die uitzending begon om kwart over acht, eindigde om kwart over tien, werd uitgezonden door de Nederlandse Televisie Stichting en ging onder meer over de fabricage van beiaardklokken in Nederland.

De eerste kijkers thuis duiken op in een bericht dat een paar maanden eerder – op 9 juli 1951 – in Het Vrije Volk werd afgedrukt. Voordat het Nederlandse publiek werd vergast op een filmpje over beiaardklokken, werd er volop geëxperimenteerd met televisie-uitzendingen, onder meer door Philips. Dit bedrijf had een televisiecamera in een luchtballon gezet en luchtopnamen van Eindhoven uitgezonden. „De Philips Televisiedienst”, meldde Het Vrije Volk enthousiast, „heeft de voorlaatste uitzending benut voor het uitvoeren van een geheel nieuw experiment: met de televisiecamera in een luchtballon de lucht in! Zaterdagmiddag gebeurde dat en de kijkers thuis hebben op het televisiescherm Eindhoven in vogelvlucht kunnen zien. Zelfs de Amerikanen waren nog niet op dit idee van televisie-per-ballon gekomen.”

In de jaren erna wordt geregeld gesproken van televisiekijkers thuis en tv-kijkers thuis. De uitdrukking kijkers thuis is daar een verkorting van, de kijkers thuis voor de buis een rijmende uitbreiding.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders