De FARC-strijder verlangt naar huis

Vrede in Colombia De regering heeft vrede gesloten met de FARC. Zondag spreekt de bevolking zich uit. „We moeten in het reine komen met ons verleden”, zegt een oud-strijder.

Kruidenierswinkeltje van Silvio Torres in FARC-gebied. Foto’s Diego Navarro

Silvio Torres (52) weet niet beter of zijn dorp San José del Fragua was altijd in handen van de FARC. „Als kind groeide ik op met de wetenschap: de FARC moet je respecteren. We leven al een halve eeuw met hen en zij met ons”, zegt Torres.

290916BUI_Bogota

Samen met zijn vrouw Sorada heeft hij een kruidenierszaak in het dorp en hij is actief in verschillende bewonersorganisaties in de zuidelijke provincie Caquetá, een belangrijk bolwerk van de FARC. Hier werd in 2002 de Colombiaanse presidentskandidate Íngrid Betancourt (die tevens de Franse nationaliteit had) ontvoerd en ruim zes jaar lang door de FARC gevangen gehouden.

Torres heeft vrienden bij de terreurorganisatie die deze week na 52 jaar oorlog, ruim 220.000 doden, en miljoenen vluchtelingen officieel vrede sloot met de Colombiaanse regering:

„Ik ben blij met de vrede, maar de toekomst van ons gebied is onzeker. Het klinkt misschien vreemd maar de FARC was ergens een houvast voor ons. De overheid speelt geen rol in deze regio, ze hebben nooit iets voor ons gedaan.”

Zijn vrouw Sorada zet een pot dampende mierzoete koffie op tafel en een schaal pan de yuca, kaasbroodjes van cassavemeel. Het is vijf uur in de ochtend, de zon komt op en een zachte, rode gloed verspreidt zich over het diepgroene heuvellandschap. Hier, ver van het moderne leven in de grote steden Bogotá en Medellín, overheersen de campesinos: de Colombiaanse cowboys met hun grote, bewerkte hoeden, hoog en trots op hun paarden terwijl ze het vee opjagen. Torres:

„De weg die voor ons huis loopt is ooit aangelegd door de overheid maar ging jaren geleden stuk. Toen heeft de FARC ons bijeen geroepen en moesten we met z’n allen de handen uit de mouwen steken en de weg maken.”

Belangen van de boeren

In de jaren zestig, toen de FARC begon als een boerenorganisatie met communistische inslag, werd gestreden tegen de extreme ongelijkheid in Colombia en werd gekeken naar de belangen van boeren. „Wij, de campesinos waren toen nog belangrijk voor de FARC. Maar door de cocateelt, de ontvoeringen en de oorlog is alles veranderd. Er is hier zowel door de FARC, als door het leger en de paramilitairen heel veel schade aangericht. Dit was een groot bloedig slagveld van strijdende partijen”, zegt echtgenote Sorada bitter.

Silvio Torres neemt thuis afscheid en samen scheuren we weg in zijn gammele Chevrolet, richting het zuiden waar de erfenis van ruim vijftig jaar oorlog aan ons voorbijtrekt. Caquetá is een van de grootste provincies van Colombia, een landelijk gebied en deel van de bijna 20 procent van het land die tot nu toe vooral in handen was van de FARC. De strijders waren hier heer en meester. De nasleep van de oorlog ligt in de verhalen van de bewoners, in hun verharde gezichtsuitdrukkingen, in hun onzekerheid over de toekomst.

„Ik ben blij dat de oorlog nu voorbij is, maar ook bang dat de andere terreurorganisatie, de ELN, haar macht hier gaat verstevigen. En dat talloze versplinterde criminele organisaties die uit zijn op de cocateelt zich hier sterker gaan manifesteren”, zegt Torres zorgelijk. Hij hoopt dat de overheid zich nu laat zien en ontwikkeling in het gebied gaat brengen. Peinzend:

„Maar we horen ook dat grote mijnbedrijven staan te trappelen om deals te sluiten met de regering om hier hun slag te slaan. Dit is een rijk gebied. Hopelijk gaat dit niet ten koste van de boeren. Wie gaat ons beschermen?”

Foto Diego Navarro

Torres (links) en enkele dorpsleiders. Foto Diego Navarro

De verharde weg gaat over in zand en keien. Tussen de heuvels, de mais en andere gewassen staan overal grote cocaplanten. Sinds enkele jaren staat Colombia weer in de top van cocaproductie met de provincie Caquetá en Putumayo als de grote productiecentra. In de verte doemt een zandafgraving op, verlaten houten hutjes staan aan de rand van een grote open goudmijn. „Deze mijn is in handen van de FARC, maar de bewoners mogen het goud delven, mits ze een deel van de opbrengst afstaan aan de guerrilla”, zegt Torres.

Zelf bleef hij uit handen van de terreurorganisatie maar zag wel hoe velen er in werden meegezogen, zoals zijn jeugdvriend Juan Humberto (48) die zich ophoudt in het kleine rivierdorpje La Novia. Humberto is een stille, in zichzelf gekeerde guerrillero. Hij is als een van de weinigen in zijn dorp niet afgereisd naar El Diamante, waar het allerlaatste FARC-congres werd gehouden en de strijders zijn geïnformeerd over de toekomst. Een tocht van twee dagen over de rivier en door de jungle. Humberto:

„Ik wacht 2 oktober af, dan stemt de bevolking over het vredesakkoord. Pas dan, als het echt een feit is, durf ik te denken over mijn nieuwe toekomst.”

Leren lezen en schrijven

Hij was twaalf toen hij zich aansloot bij de FARC. „Mijn ouders waren straatarm en ik moest al vroeg voor mezelf zorgen. Op een dag ontmoette ik een vrouw die actief was bij de FARC. Ze heeft me leren lezen en schrijven.”

Hij werd getraind als soldaat maar deed naar eigen zeggen nooit actief mee aan de gevechten. „Ik viel onder het financiële en logistieke departement van het 49ste front van de FARC. Daar viel ook voor een tijd het beheer van de cocaproductie onder”, geeft hij toe.

Na het referendum wordt Humberto geacht zich te melden bij een van de speciale zones waar hij en zevenduizend andere FARC-strijders maandenlang moeten blijven. „Ik weet dat ik naar de zone in Putumayo moet en dat we daar onze wapens moeten inleveren. Ik ben bereid om voor het vredestribunaal dat wordt opgericht de waarheid op te biechten: de slachtoffers hebben er recht op.”

Hij klinkt oprecht. Zijn eigen kinderen heeft hij jarenlang niet gezien, maar zijn droom is om zich met hen te herenigen. „Ik wil terug naar de boerderij waar ik vandaan kom.” Er verschijnt een stralende lach op zijn gezicht. Maar voorlopig is de realiteit nog anders. „Veel Colombianen haten ons, voor hen zijn we niet meer dan ontvoerders en moordenaars. We moeten in het reine komen met de Colombiaanse bevolking.”

Het conflict in Colombia in een tijdlijn:

Verderop in La Novia probeert Lucero Jaramillo (27), een kleine indiaanse vrouw, telefonisch contact te maken met haar zus die van de FARC-conferentie terugkeert. Lucero bevoorraadde de FARC jarenlang vanuit haar winkel die strategisch, pal aan de rivier ligt. „Ik moest eten regelen, maar ook belangrijke berichten doorgeven”, zegt Lucero, die er haar bijnaam ‘de brug’ aan dankt.

Het nu zo idyllische dorpje was nog tot 2010 een mikpunt van de keiharde strijd tussen het Colombiaanse leger en de guerrillero’s. „Ik groeide als kind op in de oorlog. Als ik uit school kwam moest ik vaak schuilen, het was een slagveld met lijken, slachtoffers van het leger dat op zoek was naar de FARC en hun sympathisanten”, zegt ze.

Op de doorgaande weg richting Florencia, de hoofdstad van Caquetá, hangen posters van Álvaro Uribe. De oud-president van Colombia is een fel tegenstander van het vredesakkoord. Eerder deze week hield Uribe in Florencia een grote manifestatie. Zijn tegengeluid vindt gehoor bij lokale politici. „Mensen in dit gebied hebben veel geleden”, zegt Silvio Torres.

„Daarom is het belangrijk dat we met elkaar in gesprek blijven en door onze pijn en verschillende standpunten geen nieuwe oorlog ontketenen. Dat is een grote uitdaging voor onze toekomst.”

Lees ook dit interview van begin dit jaar met Tanja Nijmijer, die zich op 24-jarige leeftijd aansloot bij de FARC: ‘Ik begreep waarom het volk de wapens oppakte’