Cultuur

Interview

Interview

Foto Jussi Puikkonen/KNAW

Baby’s hebben ons allang door

Interview Elizabeth Spelke

Baby’s van nog geen vijf maanden oud begrijpen al iets van sociale relaties. Dat heeft Elizabeth Spelke aangetoond.

Inschatten wat een ander denkt, dat kunnen kinderen pas vanaf een jaar of zes, zeven. Toch? Nee, zegt Elizabeth Spelke (67), hoogleraar cognitieve psychologie aan Harvard University. Baby’s kunnen het al. Ze kunnen sociaal redeneren – en ze voelen haarfijn aan tot welke sociale groep ze behoren. Donderdag ontvangt Spelke de prestigieuze Heinekenprijs voor Cognitieve Wetenschappen van de KNAW.

„We ontdekken veel door baby’s van tien maanden naar speciale tekenfilmpjes te laten kijken”, vertelt Spelke, „Daarbij meten we precies hoe lang ze ergens naar kijken. Daaruit kun je afleiden of ze verbaasd zijn door wat ze zien.” Neem nu het filmpje waarin een persoon twee verschillende voorwerpen wil pakken. Het ene is moeilijker te bereiken dan het andere; het ligt bijvoorbeeld achter een hoger hek. Later moet diezelfde persoon kiezen tussen dezelfde twee voorwerpen, maar nu zijn ze even makkelijk te pakken. „De baby verwacht dat de persoon nu het voorwerp zal pakken dat eerder moeilijker te bereiken was”, zegt Spelke. „Toen was die persoon immers bereid daar meer moeite voor te doen. Maar gebeurt het tegenovergestelde, dan reageert de baby verbaasd. Kennelijk kan de baby een verlangen aan een andere persoon toeschrijven.”

Bescheiden waterval

Het is maar een van de vele voorbeelden die Spelke aanhaalt. Ze vertelt graag over haar werk, als een waterval, maar tegelijk bescheiden – en steeds bezorgd of ze wel helder overkomt. Ze haalt de ene na de andere studie erbij, verbindt oude theorieën met nieuwe, in weloverwogen volzinnen. Ze leunt naar voren als ze iets wil benadrukken. En dat doet ze vaak. Ze zegt het nog eens met klem: eenjarigen hebben inzicht in wat een ander weet. Ze weten dat een ander niet een voorwerp zal kiezen dat voor diegene achter een muur verborgen ligt.

„Baby’s zien dat mensen de levenloze wereld kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld objecten kunnen verplaatsen”, zegt ze, „maar ze zien mensen ook als sociale wezens met wie ze zelf een interactie kunnen aangaan. Ze kunnen die twee noties rond het eerste levensjaar moeiteloos met elkaar verbinden.” Dat geeft ons – en daarin onderscheiden we ons van andere dieren – toegang tot een enorme set vaardigheden. Bijvoorbeeld op het gebied van samenwerking en communicatie. Dieren kunnen sommige van die dingen weliswaar ook – wolven werken met elkaar samen en chimpansees leren elkaar hoe ze gereedschap moeten gebruiken. Spelke: „Maar wij kunnen eindeloos veel nieuwe oplossingen bedenken. Wij zien ieder voorwerp als mogelijk gereedschap, iedere persoon als mogelijke partner voor een sociale interactie. Volgens mij ligt ons taalvermogen daaraan ten grondslag – maar dat moet ik nog testen. Bijvoorbeeld bij apen. En bij dove kinderen.”

Spelke deed nog een aantal opmerkelijke bevindingen. „Baby’s van vijf maanden oud”, zegt ze, „zijn eerder geneigd een voorwerp aan te nemen van iemand die ze eerder accentloos in hun eigen moedertaal hebben horen praten, dan van iemand met een accent. En eerder van iemand die ze een melodietje hebben horen zingen dat hun eigen moeder ook zingt.” Die herkenning, zo benadrukt ze, heeft een sociale basis. „We zagen dat effect niet als de baby dat liedje eerder uit een stuk speelgoed had horen komen.” Muziek en accenten, concludeert ze, hebben een sociale lading die kinderen al heel vroeg begrijpen. En daar zit blijkbaar een evolutionaire waarde aan: het loont om de voorkeur te geven aan je eigen cultuur. Van je familieleden kun je immers meer zorg verwachten dan van vreemden.

Ligt xenofobie dan in onze aard? „In zekere zin wel”, zegt Spelke met een lach, „maar in de menselijke geschiedenis zijn mensengroepen voortdurend met elkaar vermengd en daar hebben we juist veel voordeel van gehad. Het zit óók in de menselijke aard om flexibel te zijn, en om rationeel te kiezen hoe we onze menselijke neigingen inzetten om de wereld te creëren waarin we willen leven.”

Overal hetzelfde

Maar tegelijkertijd laat haar werk juist zien, benadrukt ze, dat mensen eigenlijk allemaal hetzelfde in elkaar zitten. „We hebben allemaal precies dezelfde cognitieve systemen, of we nu hier geboren zijn of in een Indiase sloppenwijk. Als je kinderen wereldwijd dezelfde spelletjes aanbiedt, dan spelen ze die overal op precies dezelfde manier. En ze vertonen precies dezelfde stappen in hun ontwikkeling.”

Kennis van die cognitieve ontwikkeling is belangrijk, stelt ze. „Als we conflicten willen beheersen en het milieu willen redden en willen leren omgaan met nieuwe technologieën”, zegt ze, „dan moeten we weten hoe het menselijk denken werkt. En om dat te weten, moeten we bestuderen hoe het zich ontwikkelt, welke factoren daarbij meespelen. Het menselijk denken doorgronden – dat is de sociale waarde van de cognitieve wetenschappen.”