Wie controleert of de regels voor ontgroeningen worden nageleefd?

Ontgroeningen Studentenverenigingen houden zich niet altijd aan hun gedragscodes, blijkt elk jaar. Sommige universiteiten grijpen in, Groningen niet.

Eerstejaars studenten tijdens hun ontgroening in 2013 in Amsterdam. Foto Thomas Schlijper

Zomaar eerstejaars studenten werven is er in Nederland niet bij. Een studentenvereniging die haar feuten wil ontgroenen moet tal van regels volgen. Zo is er een gedragscode voor introductieweken, opgesteld door de universiteiten, vol voetnoten en bepalingen.

Neem die van Universiteit Utrecht, vooraf te ondertekenen door de voorzitters van zeven verenigingen. Bepaling 3.7: „Een aspirant-lid krijgt ten minste 7 uur slaap per nacht. Hiervan mag maximaal twee keer worden afgeweken, maar niet achter elkaar”. Punt 3.8: „Elk aspirant-lid krijgt voldoende te drinken. In de kampweek is dit ongeveer twee liter verspreid over de dag”. 3.9: „Een appèl duurt in beginsel niet langer dan een half uur. Indien het langer duurt moet het mogelijk zijn afwisselend te staan en te zitten.”

De codes stellen eisen aan veiligheid, zoals dat minstens één persoon per honderd eerstejaars een geldig EHBO-diploma moet hebben. En ook fysiek en geestelijk geweld zijn verboden, evenals vernederende handelingen. Voetnoot 6 in de Utrechtse code: „Hieronder vallen onder andere het kussen van schoenen, en het (laten) omkiepen van eten op aspirant-leden.” Je leest er de rijke geschiedenis van lokale ontgroeningen uit af.

Hete herten

Dat zulke gedragscodes in de introductietijd standaard zijn, betekent niet dat ze ook altijd worden opgevolgd. Vrijwel elk jaar komen er incidenten in het nieuws waaruit dat blijkt. Zo werd deze week bekend dat in Groningen een aspirant-lid van studentencorps Vindicat tijdens zijn ‘kennismakingstijd’ in augustus zo hardhandig was aangepakt dat hij met hoofdletsel moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Dezelfde vereniging raakte vorige week al in opspraak toen een ‘bangalijst’ met eerstejaars studentes, „hete herten”, opdook op internet.

Het roept de vraag op wie verantwoordelijk is voor de naleving van de gedragsregels. Des te meer omdat aspirant-leden zelf niet snel aan de bel zullen trekken. Die willen aansluiting bij een vereniging, geen afstoting: ook het slachtoffer met hoofdletsel deed geen aangifte. Sterker, het Groningse Vindicat liet deze zomer alle aspirant-leden een contract tekenen waarin ze op straffe van 25.000 euro boete moesten beloven niets over ontgroeningen naar buiten te brengen.

En dus zijn na zulke incidenten de ogen gericht op de universiteiten. Die hechten belang aan de zelfontplooiing die studenten bij verenigingen opdoen en ondersteunen ze daarom financieel. Zo betalen de Hanzehogeschool en Rijksuniversiteit Groningen samen de beurzen van de Vindicat-bestuurders. Jaarlijks kost dat zo’n 33.000 euro uit het zogeheten profileringsfonds. Bij wangedrag zouden de universiteiten dus ook sancties kunnen opleggen, zoals aan de studentbestuurders niet langer een beurs beschikbaar stellen. Universiteit Utrecht verbrak in 2002 voor twee jaar alle banden met vereniging Veritas na berichten over eerstejaars die poep in hun haar gesmeerd kregen. In 2008 kortte TU Delft de subsidie voor het Delftsch Studenten Corps na berichten over eerstejaars die urenlang in het ijswater moesten zitten.

Bij Vindicat moeten aspirant-leden een contract tekenen waarin ze op straffe van 25.000 euro boete moeten beloven niets over ontgroeningen te zeggen

Universiteit wil geen sancties

Maar Rijksuniversiteit Groningen wil vooralsnog geen sancties afkondigen. Het college van bestuur noemde de twee recente incidenten tot nu toe een „interne kwestie”. Donderdag, als de incidenten worden besproken in de Universiteitsraad, zal blijken of het bij dit standpunt blijft.

De personeelsfractie in die raad is het niet eens met het bestuur. Die vroeg direct na het openbaren van de ‘bangalijst’ al om het stopzetten van subsidies aan Vindicat. De universiteit heeft hierin een verantwoordelijkheid, vindt voorzitter Bart Beijer. „Een vereniging maakt deel uit van de universitaire gemeenschap.”

Toezicht op ontgroeningen werd in Groningen formeel geregeld in 1998, een jaar nadat Reinout Pfeiffer, eerstejaars bij Vindicat, overleed na onder dwang een liter jenever te hebben gedronken. Sindsdien hebben de Groningse verenigingen de plicht incidenten te melden aan de Advies Commissie Introductietijden (ACI). Zo ontving de ACI vorig jaar volgens het jaarverslag in totaal drie meldingen na de introductieperiode: een hulpverleningsdienst moest worden ingeschakeld of contact met de ouders bleek wenselijk. Beijer van de personeelsfractie noemt die manier van controle achteraf „te passief”. Maar veranderingen worden volgens hem bemoeilijkt door de samenstelling van de Universiteitsraad, die voor de helft uit studenten bestaat. „Zij willen hun vingers hier niet aan branden.”

Goede wil

Naleving van de codes is dus nog altijd grotendeels afhankelijk van het moreel bewustzijn van verenigingen. Na de dood van Pfeiffer werd in 2000 zijn broer Oscar een jaar lang voorzitter van Vindicat, juist om ervoor te zorgen dat zoiets niet nog eens zou gebeuren. „Veiligheid was toen echt een speerpunt”, zegt hij. „Maar hoe dat nu is geregeld, weet ik niet.”

Aan goede wil ontbreekt het bij studentenverenigingen in ieder geval niet. Afgelopen maand werd een voordracht goedgekeurd van de landelijke studentenkoepel om ‘het Nederlandse studentenleven’ een plek te geven op de lijst voor immaterieel erfgoed. Het erfgoedplan, bedoeld om de traditie te ‘borgen’, beschreef welke acties de verenigingen zelf nodig achten. Punt één: werken aan het imago. Punt twee: werken aan de veiligheid.