Superbillen als souvenir aan New York

Turner Prize

De vier Britse kunstenaars die dit jaar strijden om de Turner Prize, maken gebruik van banale objecten: een trein, een achterwerk, een stapel munten.

Werk van foto REUTERS/ Neil Hall

Twee grote billen, stevig omklemd door een paar handen. Een speelgoedtrein, waarvan de wagons met graffiti zijn bespoten. Een grote berg munten. Er lijkt weinig verbeelding nodig om de meest beeldbepalende objecten te begrijpen op de vandaag geopende tentoonstelling in Tate Britain in Londen van de vier kandidaten voor de Turner Prize - de prestigieuze prijs voor Britse kunstenaars onder de vijftig. Maar niets is wat het lijkt, natuurlijk niet.

Wait… you mean this isn't meant to be sat on? #OhCrap #rightbeforetheguardsyelled #TurnerPrize2016 #JosephinePryde

Een foto die is geplaatst door Alexander Lewis (@alexanderdlewis) op

Billen als souvenir

De billen zijn een tien meter hoge sculptuur van Anthea Hamilton. Zij vond in New York een ontwerp dat de Italiaanse designer Gaetano Pesce begin jaren zeventig had gemaakt voor het portaal van een New Yorks appartementencomplex. Het is nooit uitgevoerd. Maar Hamilton raakte gefascineerd, maakte van het ontwerp een sculptuur voor een tentoonstelling in New York en nam de billen mee, ‘als souvenir’.

In de surrealistische zalen van Hamilton zijn atletische lichamen, waar Hamilton zich eerder mee onderscheidde, verder afwezig. Ze toont een bakstenen pak en laarzen, juist zonder lichaam. Zo hangt aan het plafond ook een serie van kuisheidsgordels, waarvoor ze het idee kreeg toen ze in het Metropolitan Museum in New York de verzameling sloten zag. Ze bewerkte de gordels met afbeeldingen die ze zag in de Parijse metro van Hector Guimard, daarbij geïnspireerd door een notitie van hem dat hij meer geïnteresseerd is in hoe natuur voelt dan hoe het eruitziet. Uit sommige kuisheidsgordels steken droogbloemetjes.

🖌Turner Prize 2016 preview🖌 #AntheaHamilton #tatebritain #turnerprizelive

Een foto die is geplaatst door Viola Hazlerigg (@vihazlerigg) op

Objecten uit hun omgeving halen en ‘emotionele sensaties overbrengen die niets met het object te maken hebben’, dat is wat Hamilton wil. De muren van haar zalen heeft ze beplakt met behang van baksteen in de ene zaal en met de zomerlucht om drie uur ’s middags op een junidag in Londen. Gemaakt door de decorschilder van James Bond om het zo echt mogelijk te krijgen. En het museum naar haar hand te zetten.

Josephine Pryde is eigenlijk fotograaf, maar in het midden van haar zaal vraagt een vergrote speelgoedtrein om alle aandacht. Alleen: hij rijdt niet rond. In de tentoonstellingen waarvoor ze is genomineerd, liet ze bezoekers zittend op de trein door de zaal tuffen. Maar voor een instituut als Tate vindt Pryde dat niet geschikt. Dus rust de trein uit, op een klein podium, onder de nieuwe titel The New Media Express in a temporary siding (Baby wants to ride) Als herinnering aan de plaatsen waar deze trein is tentoongesteld, heeft Pryde door plaatselijke street artists de rijtuigen met graffiti laten bespuiten.

Brits bestaansminimum

Zo domineert de trein in de ruimte waar Pryde haar foto’s laat zien. Daarbij vallen het meest de foto’s op waarbij ze heeft ingezoomd op gemanicuurde handen die een smartphone vasthouden, een pen of kerstcadeaus die ze van galeries heeft gekregen. Ze wil vragen opwerpen wat onze verhouding is tot deze objecten, wat ze symboliseren.

Michael Dean, die mede werd genomineerd voor zijn expositie in de Appel, begint met woorden die hem fascineren. Die woorden zet hij om in beelden, of beter gezegd sculpturen. Gemaakt van materialen die van bouwplaatsen of industriële hallen komen als beton, kunststof, staal. De betekenis dringt hij niet op, wij moeten onze eigen interpretatie vormen.

Centraal in zijn opstelling zijn vier grillige figuren in een berg muntjes. Samen precies 20.435 pond, een penny minder dan het Britse bestaansminimum voor een gezin van vier om van rond te komen. Een muntje heeft Dean weggenomen.

Helen Marten doet een nog groter beroep op onze verbeelding. Ze nodigt de bezoeker uit om archeoloog van onze eigen tijd te zijn. Met gevonden voorwerpen uit ons dagelijks leven bouwt ze haar sculpturen als collages op. Van snookerkrijt tot slangenhuid, van dode vissen tot knopen en munten. Zie je nu een kreeft en een spookhuis? Het maakt eigenlijk niet uit, ze wil ‘poëtisch visuele puzzels’ voorschotelen.

Dit is allemaal ver verwijderd van de sociaal bewogen kunst, waarmee het collectief Assemble voor hun werk in een Liverpoolse afbraakbuurt vorig jaar de prijs kreeg. Bij de kunstenaars die de jury - onder wie Stedelijk-directeur Beatrix Ruf - dit jaar heeft geselecteerd, kruipen we in hun gedachtenkronkels en worden we teruggeworpen op de associaties die we daar zelf bij krijgen.