Een overdonderend overzicht van spierballenkunst

Tentoonstelling

Geen vrolijke jongens waren het, die halverwege de vorige eeuw de eerste echte Amerikaanse kunststroming op de wereld zetten. Het overzicht van de abstract-expressionisten dat nu in Londen is te zien, blaast je van je sokken.

Blue Poles (1952) Jackson Pollock

De blote tenen van Jackson Pollock – als je goed kijkt, kun je ze zien, in de rechterbovenhoek van zijn schilderij Blue Poles uit 1952. Er staan meer voetafdrukken langs de randen van het immense werk, dat meer dan twee meter hoog is en bijna vijf meter lang. Om de compositie zijn mooie, gelijkmatige ritmiek te geven, moest de Amerikaanse schilder hier en daar op het doek stappen, dat hij als een tapijt op de vloer van zijn atelier had gelegd. Meestal had hij gewoon zijn schoenen aan. Maar die ene blote voet, achtergelaten in de nog natte verf, is het aandoenlijkst.

„Op de vloer voel ik me meer op mijn gemak”, schreef Pollock in 1947. „Ik voel me dichterbij, meer onderdeel van het schilderij, omdat ik er op deze manier omheen kan lopen, kan werken vanaf de vier zijdes en letterlijk in het schilderij kan zijn.” De term ‘action painting’ bestond nog niet – die bedacht criticus Harold Rosenberg pas eind 1952 – maar voor Pollock was het vlak na de oorlog al duidelijk dat de tijd van het schilderen op ezels voorbij was. De nieuwe Amerikaanse schilderkunst moest groots en weids zijn als de prairies van Wyoming en de woestijn van Arizona – de plekken waar hij was opgegroeid.

Blue Poles vormt het zinderende hoogtepunt van de magnifieke tentoonstelling Abstract Expressionism in de Royal Academy in Londen. Het doek, uit de collectie van de National Gallery in Canberra, wordt zelden uitgeleend. Slechts één keer eerder verliet het Australië, voor een Pollock-retrospectief in het MoMA in New York, in 1988. Het is een schilderij dat door geen enkele reproductie recht kan worden gedaan. Pas wanneer je ervoor staat, ervaar je de diepte van de compositie en zie je hoe ingenieus Pollock de zilveren aluminiumlak en de cadmiumrode emailverf over de ondergrond van zwarte olieverf gedruppeld heeft, werkend naar het licht toe. Hoewel het schilderij vaak als dronkenmanswerk is afgedaan – Pollock was een notoir alcoholist – spreekt er juist een enorme controle en organisatie uit de compositie. ‘No chaos, damn it’, waren zijn gevleugelde woorden.

Op de vloer voel ik me meer op mijn gemak, meer deel van het schilderij

Tegenover Blue Poles hangt nog zo’n fabelachtig topstuk: Mural (1943) uit de collectie van The University of Iowa Museum of Art. Met afmetingen van 242 bij 603 centimeter is dit het grootste doek dat Pollock ooit gemaakt heeft. Hij schilderde het in opdracht van zijn mecenas Peggy Guggenheim, die hem jarenlang onderhield met een maandelijkse toelage. Met groene, rode en gele accenten die geschilderd zijn over een netwerk van zwarte takken, lijkt Mural een jungle waarin je verdwalen kunt.

De oerknal

Deze twee schilderijen bij elkaar te zien, is de reis naar Londen al waard. Mural is de oerknal waarmee het abstract expressionisme begon. Toen het werk eenmaal bij Peggy Guggenheim hing, in de hal van haar huis op Manhattan, trok de hele New Yorkse kunstwereld eraan voorbij. „Jackson heeft het ijs gebroken”, zou collega Willem de Kooning later zeggen. Daarna gingen alle remmen los.

Met Blue Poles kwam aan die periode van experimenteerlust een einde. Het is Pollocks zwanenzang. In de jaren die volgden, keerde hij terug naar kleinere, meer figuratieve werken. Kort daarop, in 1956, reed de schilder, stomdronken, zichzelf op 44-jarige leeftijd dood.

Met ruim honderdzestig werken is Abstract Expressionism een overdonderend overzicht. Het is voor het eerst in een halve eeuw dat zoveel werken van deze Amerikaanse schildersgroep bijeen zijn gebracht – het laatste overzicht in Europa dateert van 1959. En mocht je door de zaal met Pollocks al van je sokken geblazen zijn: dan moeten de zalen van Mark Rothko (zeven van zijn colorfieldschilderijen hangen bijeen in de koepelzaal), Willem de Kooning (zes van zijn vrouwenportretten bevolken één wand) en Clyfford Still (met een tiental doeken al een klein retrospectief op zich) nog volgen. Die monografische zalen worden afgewisseld met mooie thematische ruimtes over bijvoorbeeld kleur, duisternis en ‘the violent mark’, waarin de machogebaren van Franz Kline mooi aansluiten bij de vette zwarte verfstreken van Robert Motherwell. Spierballenvertoon is het, in alle opzichten.

Zo compromisloos, ambitieus en zelfverzekerd als de abstract-expressionisten in hun hoogtijdagen overkomen, zo getroebleerd ogen ze in de eerste zaal, waar hun vroege werken bijeenhangen. Op een klein zelfportret uit 1930-’33 kijkt Pollock met angstige ogen de wereld in, terwijl Rothko zichzelf in 1936 afschildert als een schuchtere jongeman met diepliggende, holle ogen. Ernaast kijkt Arshile Gorky al net zo argwanend, op een zelfportret met vlassig snorretje uit 1937.

Vroegtijdig, tragisch sterven

Willem de Kooning

Woman II, 1952. Willem de Kooning

Geen vrolijke jongens, dat zie je direct. Pollock, die in zijn jeugd negen keer verhuisde, was onzeker en vaak manisch-depressief. Rothko, die als tienjarige met zijn ouders geëmigreerd was uit Letland, voelde zich als kind altijd een vreemdeling. En Gorky, wiens moeder in Armenië door de honger was omgekomen, hield altijd heimwee naar zijn thuisland. Alle drie zouden ze vroegtijdig en op een tragische manier sterven. Gorky en Rothko pleegden beiden zelfmoord, respectievelijk 44 en 66 jaar oud.

In die eerste zaal wordt duidelijk hoezeer de Amerikaanse schilders in die vroege jaren teruggrepen op Europese stromingen als het kubisme, het surrealisme en het symbolisme. In het pas geopende MoMA zagen ze in de jaren dertig exposities van Henri Matisse (1931) en Pablo Picasso (1939). Gorky’s schilderij Still-life on Table (1936-’37) is met zijn hoekige vormen een duidelijke hommage aan het kubisme. Ook Picasso’s Guernica was in New York te zien, in 1943, en maakte diepe indruk op onder anderen Willem de Kooning, die het hoofd van de schreeuwende vrouw twee jaar later als inspiratie nam voor Pink Angels (1945).

Rond 1947 hebben alle abstract-expressionisme hun eigen stijl, hun handelsmerk gevonden. Barnett Newman schildert zijn ‘zips’, verticale banen over intense kleurvlakken, Rothko componeert zijn kleurenvensters en Pollock is intussen een virtuoze ‘dripper’ geworden. Het tijdschrift Life noemt hem in 1949 ‘de grootste levende schilder ter wereld’. De internationale kunstwereld kijkt dan niet langer naar Parijs, maar na ar het nieuwe epicentrum: New York. De eerste echte Amerikaanse kunststroming is geboren.

Tussen machoschilders

Mark Rothko

No. 4 (Yellow, Black, Orange on Yellow/Untitled), 1953. Mark Rothko

Voor vrouwen moet het moeilijk zijn geweest om in die jaren veertig en vijftig een plek tussen de machoschilders te bemachtigen. Het abstract-expressionisme was voor een groot deel een mannenclub. Maar ze waren er wel degelijk, die goede vrouwelijke schilders. Kijk naar Lee Krasner, Pollocks echtgenote, die imponeert met haar schilderij The Eye Is The First Circle (1960), een ritmische dans van aardetinten. Kijk naar Janet Sobel, die met haar droedelcompositie Illusion of Solidity (1945) van grote invloed was op Pollocks drip-paintings, maar daarvoor nooit de credits heeft gekregen. En kijk naar Joan Mitchell, de grootste verrassing van deze tentoonstelling, die de olieverf met minstens zoveel bravoure op het doek kwakte als haar mannelijke collega’s. Deze drie dames zijn de onbekende sterren van de show, van wie de tentoonstellingsmakers gerust meer hadden mogen laten zien.

Het overweldigende slotakkoord van Abstract-Expressionism is weggelegd voor Clyfford Still, de buitenstaander van het stel, die het grootste deel van zijn leven buiten New York woonde en juist daarom misschien wel de meest Amerikaanse schilder van zijn generatie was. Still, ten onrechte altijd een beetje over het hoofd gezien, krijgt in Londen een schitterende rehabilitatie met een zaal waar een tiental van zijn immense doeken hangt. Dat is een unicum, want zijn werk is zelden in Europa te zien – toen Still stierf in 1980, was zo’n 95 procent van zijn schilderijen nog in zijn eigen bezit, een legaat dat nu beheerd wordt door het Clyfford Still Museum in Denver, Colorado.

Pollock zei bewonderend over Still dat hij „de rest van ons academisch” liet lijken. En inderdaad, misschien is Still wel de meest vrije abstract-expressionist die er was. Puur abstract zijn ze, deze immense doeken, die titels dragen die op nummerborden of inventarisnummers lijken, zoals PH-4 of PH-150. En toch zie je er de grootsheid van het Amerikaanse landschap in. Dieprode olieverf wordt stromende lava, een helgele streep is een bliksemschicht, een donkerblauwe veeg lijkt een waterval tegen een donkere rotswand. Dit is de schaal van de prairies van Alberta en de bergtoppen van Washington State, waar de schilder lange tijd werkte. Dit is wat Still noemde ‘the land’s awful bigness’.