Column

Liefdesbrieven (1)

Een van de opmerkelijkste boeken van dit jaar is voor mij de bundel liefdesbrieven Vlam in de sneeuw van de Zuid-Afrikaanse schrijvers Ingrid Jonker en André Brink. Ik kan me niet herinneren eerder zo’n openhartige, intieme correspondentie te hebben gelezen.

Er zit nogal wat herhaling in de brieven, vooral in die van de stapelverliefde Brink, maar toch blijft het een meeslepende briefwisseling waarvan je je steeds afvraagt: wanneer, waarom en hoe zal het eindigen? Goed, we weten hoe slecht het met Jonker is afgelopen, maar daarmee is nog niets gezegd over de aard en het verloop van hun relatie. Die heeft veel korter – twee jaar – geduurd dan ik op grond van deze omvangrijke correspondentie had vermoed.

Op 21 april 1963 schrijft Brink zijn eerste brief aan „verrukkelijk wezentje”. Ze hebben dan al een weekje met elkaar doorgebracht, Brink is „met heel wat tegenzin” teruggekeerd naar „het veilige, burgerlijke bestaan” van zijn gezin, Ingrid is weer bij haar oudere vriend Jack Cope, in de correspondentie een vage figuur.

In zijn eerste brief juicht Brink vooral over de seks. „Wat T.S. Eliot zei – ‘poetry can communicate before it is understood’ – kan in zekere zin ook gelden voor mensen die zó, vrij, door middel van seks tot elkaar komen. Seks is juist een vorm van communicatie die goddank aan woorden voorbijgaat.” Hij zal de zinnelijkste van het duo blijven, al doet ook zij haar best.

Je staat versteld van de liefkozende varianten die hij weet te bedenken. „Een groet aan je buikje. En je zachte dijen. En je tippetoppetepeltuitjes. En je ogen. En je haren. En je piepkuikentje. Een groet aan álles wat van mij is. […] En al behoren we elkaar niet toe, laten we van elkaar zijn. Méér nog: laat ons elkaar zijn. Nu. En dus – altijd.”

Pas na lezing van het boek besefte ik dat die steeds weer in alle vurigheid herhaalde liefdesblijken ook een bezwerend karakter hadden: ze moesten de gevaren afwenden die de geliefden voelden naderen. Jonker is de eerste die waarschuwt dat hun relatie Brink zijn huwelijk kan kosten, iets wat hij kennelijk niet wil. Brink vindt dat hun contact voorlopig door moet gaan tenzij „onze gefrustreerde liefde wederzijds giftig voor elkaar wordt”.

Die giftigheid zal ten slotte toch toeslaan, maar op een andere manier dan je als buitenstaander zou vermoeden. Niet Brinks huwelijk zal de grootste rivaal van Jonker blijken, maar een nieuwe liefde die nogal pardoes opduikt. Ook Jonker had andere relaties, maar ze betekenden niet zoveel voor haar.

Op 27 april 1965 schrijft Brink – na een onheilspellend lange, neutrale inleiding – dat hij met een ander naar bed is geweest en dat hij zich er niet schuldig om voelt. Maar hij heeft troost voor haar: Jonker zal onvervangbaar blijven in zijn hart. „Ik ben in de handen van de levende God. En ik groet je, mijn Cocon. Met tranen.”

Na al die jubelende liefdesverklaringen van Brink had deze brief zelfs bij mij als lezer het effect van een dolkstoot, toegediend door een overspelige dief in de nacht. Tegen een vriendin noemde Jonker het een „wrede, skynheilige brief”; ze wees er verontwaardigd op dat hij nu opeens wél ging scheiden. Zelf vroeg ik me af wat die levende God ermee te maken had.

Bijna drie maanden later verdrinkt ze zichzelf, 31 jaar oud, in zee.

Frits Abrahams