In de Rotterdamse Crooswijk juist wel

Armoede vooral in grote steden; en in het noorden en de grensstreek

Als ze horen dat 3034 het armste postcodegebied van heel Nederland is, barsten ze in lachen uit. „We hebben nét een bod op een huis gedaan hier, echt nu net!”, zegt Esmée Ouwens (24 jaar), wijzend op haar telefoon. Ze staat bij het Schuttersveld in de Rotterdamse wijk Crooswijk met haar vriend, Tim ter Haar (23), samen met zijn moeder en haar vader. „Maar we kennen de wijk wel”, zegt Ter Haar. Hij wijst naar de overkant van het Schuttersveld, waar de twee nu nog anti-kraak wonen in huizen van een woningbouwcorporatie.

In Crooswijk heeft ruim 30 procent van de inwoners een inkomen onder de armoedegrens van ‘niet-veel-maar-toereikend’. Dat kan een uitkering zijn, maar ook laagbetaald werk, onvoldoende werk, of een kleine baan waar meer mensen van moeten rondkomen.

Wat Ouwens en Ter Haar merken van de armoede? „Veel mensen werken niet. En er gebeurt veel op straat”, zegt Ouwens. „Er staan bijvoorbeeld vaak vuilniszakken, mensen schreeuwen naar elkaar, ’s avonds laat is er nog harde muziek van een klein buurtgebouw op het veld.” Maar op datzelfde veld zijn naast een grote aantrekkelijke speeltuin voor kleintjes ook twee gratis tennisbanen, een basketbalveld en een kunstgrasveldje voor voetbal, zegt Ter Haar. En hufterproof fitness-apparaten. „We zitten vlak bij het centrum, en de prijs van dit huis was goed”, zegt Ouwens, die zegt dat het prima wonen is in Crooswijk. Ter Haar: „Maar ik moest me van mijn huisarts in Bergschenhoek wel uitschrijven bij zijn praktijk, omdat ik in een achterstandswijk ging wonen.”

Even ten noorden is de gemeente bezig door sloop en nieuwbouw – gericht op mensen met hogere inkomens – de wijk te verbeteren. Zo moet op de hoek van de Paradijslaan en de Rusthofstraat ‘het paradijshof’ komen, zegt een bord. „44 stadswoningen. Er bloeit iets moois in Crooswijk.”

Daar hebben ze dus een mooi woonblok voor gesloopt, zegt Astrid Leegwater. Ze werkt als zelfstandige – ze bouwt kleine festivalterreintjes op voor het Rotterdams Volkstheater – en ze vindt niet dat ze zelf arm is. Maar als ze hoort welke definitie het SCP hanteert, moet ze constateren dat ze dat wel is. „Ik heb misschien geen flatscreen, maar ik heb een rijk leven”, zegt ze, terwijl ze aan de stoep bezig is een tuintje aan te planten.

Ze huurt een woning uit het begin van vorige eeuw, met uitzicht op een singel en een groene begraafplaats. De woning is slecht onderhouden, net als het hele blok. „Dit is het gouden laantje. Wij worden er allemaal uitgebonjourd, en de woningcorporatie verkoopt vervolgens de panden aan de hoogste bieder. Op de hoek is al voor veel geld een hipstercafé neergezet.”

De buurwoning is net verkocht, uit een raam van de bovenste verdieping hangt een puinslurf. De nieuwe buren mogen dan tot de gewenste welgesteldere klasse behoren, Leegwater vindt dat de buurt er niet beter op geworden is. De krakers zijn weg, net als een buurtwinkeltje dat ze dreef met een vriend, en de muziek. „Het is hier armoediger geworden, niet in geld, maar in beleving.”