Het was liefdadigheid

Het horeca imperium van zijn zoon kon wel wat financiële hulp gebruiken. De afgelopen tien jaar hadden de bedrijven waarvan zijn zoon aandeelhouder was, zo’n anderhalf miljoen euro verlies geleden.

Verschillende keren had hij hem al geld geleend: 60.000 euro toen hij in 2003 met zijn eerste horecabedrijf begon, 80.000 euro om twee jaar later zijn schuldeisers te betalen, in datzelfde jaar elke week 2.000 euro om rond te komen en een jaar later nog eens 350.000 om het hoofd boven water te houden. Eind 2007 had hij ruim een miljoen aan onderhandse leningen uitstaan bij zijn zoon. Zakelijke leningen, dat wel. In betere tijden zou het weer moeten worden terugbetaald.

Alleen voor de lening van 350.000 euro was bij de notaris een overeenkomst van geldlening opgemaakt, compleet met 4,4 procent rente, aflossingstermijnen en bepalingen over de opeisbaarheid.

Gezien de verliezen van de horecabedrijven bracht de man de totale lening in mindering op zijn belastbaar inkomen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Onterecht, volgens de inspecteur, die de leningen ‘onzakelijk’ vond.

Ook de rechtbank Noord-Holland heeft moeite met het zakelijke karakter. Een buitenstaander zou dit debiteurenrisico nooit hebben aanvaard, zelfs niet tegen een hogere rente. Er zijn geen reële verhaalsmogelijkheden, geen zekerheden bedongen. Voor een deel van de lening is zelfs geen rente overeengekomen en zijn er geen afspraken gemaakt over aflossing.

Het is liefdadigheid, geen zakelijke transactie, concludeert de rechtbank. Het verlies is dan ook niet aftrekbaar.

www.rechtspraak.nl ECLI:NL:RBNHO:2016:6675