Column

De rat in opmars

Het kan niet op – na Airbnb, Jan Roos, DENK! en de Zaanse treitervlogger hebben we er in Nederland weer een nieuw onheil bijgekregen: ratten. Het aantal rattenmeldingen is de laatste twee jaar met 90 procent gestegen. Zowel op het platteland als in de stad is de rat in opmars.

Van sommige mensen wordt wel gezegd dat ze zich „suf neuken”, maar ratten kunnen dag en nacht door neuken, zonder enig teken van versuffing. Ze laten zich door niets van de wijs brengen. Eerst het vreten, dan het neuken – en vooral geen moraal, want daar is de mens voor.

Het gevolg is dat ze snel bezit nemen van ons vroeger o zo propere landje. In een stad als Rotterdam zijn er al zoveel dat men van ‘Ratterdam’ spreekt. Maar Amsterdam moet zich vooral niet verbeelden dat het er op dit gebied veel beter toegaat. Ook hier zie ik ratten door de grachten zwemmen en vrolijk in de tuinen hupsen.

Mijn vrouw begint er al griezelige fantasieën van te krijgen. Stel dat ze ons appartement binnendringen en onze poes bedreigen als wij niet thuis zijn? Dat beestje is 16 jaar oud en misschien te reumatisch geworden om zich te kunnen verweren tegen zo’n rotrat. Of wie weet is ze al half dement en ziet ze de rat voor een kat aan die haar het hof wil maken.

Allerlei noodlottige scenario’s zijn denkbaar. Zou de rat via het kattenluik toegang tot ons appartement kunnen forceren om vervolgens onze slaapkamer te bereiken?

Nu zijn we al in het hachelijke stadium beland waarin mijn vrouw midden in de nacht iets over zich heen voelt trippelen, iets wat snuffelt en snuift. En de volgende dag hebben we allemaal de ziekte van Weil – die smerige ziekte die ratten via hun urine kunnen overbrengen op „onschuldige burgers”, alsof die het al niet moeilijk genoeg hebben met de aanslagen van IS. In Nieuwsuur wees een deskundige erop dat de rat na de mug de meeste ziektes verspreidt.

Omdat het onderwerp mij interesseert en mijn vrouw obsedeert, was ik blij toen ik laatst toevallig in een Amsterdams café in gesprek raakte met een man die van beroep rattenverdelger bleek te zijn. Zijn werkdag zat er bijna op en ik vroeg hem hoeveel ratten hij gevangen had. „Twee dooie”, zei hij, „op de 32 plaatsen waar ik geweest ben.” Het leek mij een bedroevende score, maar hij zat er niet mee. „Elke dag is anders”, zei hij.

Hij was, misschien mede dankzij zijn beroep, een realistisch man. „We winnen het nooit van de rat”, zei hij. „Ze planten zich veel sneller voort dan wij ze kunnen doden. De oude ratten zijn te wijs om in zo’n val te trappen, dat doen alleen de jonkies met weinig ervaring. Ratten moet je bij de bron bestrijden: geen afval laten slingeren, geen voedsel voor de vogels strooien, geen kippen houden.”

Hij begon over tomatenplanten in de tuin. „Vinden ratten heerlijk. Weg ermee! Ratten verdwijnen alleen als je ze geen voedsel aanbiedt.”

Namens mijn vrouw vroeg ik hem of onze kat zich zorgen moest maken. „Welnee”, zei hij, „ratten zullen katten mijden. Ratten houden niet van katten.”

Het rijmde en het was ook daarom het mooiste gedicht dat ik mijn vrouw kon aanbieden.

schrijft op deze plek elke week een column.