Economie & Recht: recreatie op Terschelling en liefdadige leningen

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: een Waddeneiland als sportaccomodatie en een bodemloze horecaput.

Foto ANP

De natuur op Terschelling is voor iedereen

Kanoën op zee, survival in de duinen, bootcamp in de bossen: de natuur van Terschelling biedt veel mogelijkheden. Maar is het daarmee ook een sportaccomodatie? Een evenementenbureau organiseert al sinds 1967 activiteiten. Voor schoolreisjes, bedrijfsuitjes, zakelijke evenementen en teambuildingdagen wordt gebruikgemaakt van het natuurschoon van Terschelling. Voor blokarten en powerkiten op het strand tot boogschieten en mountainbiken in de bossen en duinen.

Om de prijzen laag te kunnen houden, wil het bureau de activiteiten aanbieden met een verlaagd btw-tarief. Het gaat immers om het ‘geven van gelegenheid tot sportbeoefening’, waarbij de deelnemers ‘gebruikmaken van sportaccomodaties’. In dat geval is volgens de wet niet het reguliere tarief van 19 procent, maar het verlaagde tarief van 6 procent van toepassing.

De belastinginspecteur staat dit niet toe. Volgens hem kan het bureau de natuur van Terschelling niet als sportaccomodatie ter beschikking stellen, omdat er geen exclusief recht is op het gebruik. Maar de rechtbank Noord-Nederland geeft het evenementenbureau gelijk. Voor de accommodatie is het voldoende dat de deelnemers zich kunnen verkleden in een mobiele trailer en dat bij sommige activiteiten tenten worden opgebouwd.

In hoger beroep is het hof Arnhem-Leeuwarden juist op de hand van de inspecteur. De trailer is slechts bedoeld voor opslag, niet om in te sporten. En het bureau heeft weliswaar toestemming voor de activiteiten, maar het blijft openbare ruimte voor iedereen. Zonder exclusief gebruiksrecht kun je niets ter beschikking stellen, vindt het hof.

www.rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2016:5198

Het was liefdadigheid

Het horeca imperium van zijn zoon kon wel wat financiële hulp gebruiken. De afgelopen tien jaar hadden de bedrijven waarvan zijn zoon aandeelhouder was, zo’n anderhalf miljoen euro verlies geleden.

Verschillende keren had hij hem al geld geleend: 60.000 euro toen hij in 2003 met zijn eerste horecabedrijf begon, 80.000 euro om twee jaar later zijn schuldeisers te betalen, in datzelfde jaar elke week 2.000 euro om rond te komen en een jaar later nog eens 350.000 om het hoofd boven water te houden. Eind 2007 had hij ruim een miljoen aan onderhandse leningen uitstaan bij zijn zoon. Zakelijke leningen, dat wel. In betere tijden zou het weer moeten worden terugbetaald.

Alleen voor de lening van 350.000 euro was bij de notaris een overeenkomst van geldlening opgemaakt, compleet met 4,4 procent rente, aflossingstermijnen en bepalingen over de opeisbaarheid.

Gezien de verliezen van de horecabedrijven bracht de man de totale lening in mindering op zijn belastbaar inkomen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Onterecht, volgens de inspecteur, die de leningen ‘onzakelijk’ vond.

Ook de rechtbank Noord-Holland heeft moeite met het zakelijke karakter. Een buitenstaander zou dit debiteurenrisico nooit hebben aanvaard, zelfs niet tegen een hogere rente. Er zijn geen reële verhaalsmogelijkheden, geen zekerheden bedongen. Voor een deel van de lening is zelfs geen rente overeengekomen en zijn er geen afspraken gemaakt over aflossing.

Het is liefdadigheid, geen zakelijke transactie, concludeert de rechtbank. Het verlies is dan ook niet aftrekbaar.

www.rechtspraak.nl ECLI:NL:RBNHO:2016:6675