Atte Jongstra krijgt Constantijn Huygens-prijs

Literatuur Atte Jongstra heeft de Constantijn Huygens-prijs gekregen voor zijn literaire oeuvre, dat vaak een weerslag is van een incoherente werkelijkheid.

Ivo van der Bent

Het zou mooi zijn als Atte Jongstra ooit de geschiedenis ingaat als de biograaf die Henry II Fix weer uit de vergetelheid rukte. Gek tenslotte, dat niemand deze 19de-eeuwse beroemdheid uit Zwolle nog kende: lees zijn levensverhaal en er doemt een vooraanstaand man uit op, die tegenwoordig iemand als Geert Mak als biograaf zou aantrekken. Fix leek opgelost in de tijd, totdat Atte Jongstra zijn autobiografie aantrof in de stoffige marges van een veiling, en besloot om zijn verhaal met de wereld te delen in het boek De avonturen van Henry II Fix (2007). Het betekende de literaire doorbraak van Atte Jongstra (1956) – als romanschrijver, welteverstaan.

Zo zullen we Jongstra ook wel vooral blijven zien, als romanschrijver dus – mede dankzij de duit die de jury van de Constantijn Huygens-prijs in het zakje heeft gedaan. Deze maandagavond werd bekend dat Jongstra dit jaar de winnaar is van deze jaarlijkse literaire oeuvreprijs, ter waarde van 10.000 euro.

Hij treedt daarmee toe tot een gezelschap van gelauwerde romanciers: de afgelopen jaren ging de Constantijn Huygens-prijs naar mensen als Adriaan van Dis, Mensje van Keulen en A.F.Th. van der Heijden. Een ongebruikelijk genoegen voor Jongstra, want deze jury is een van de weinige die zijn „eigenzinnige oeuvre” erkent. Jongstra’s literaire prijzen waren tot nog toe op een hand te tellen: voor zijn debuut De psychologie van de zwavel (1989) won hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs, daarna duurde het jaren tot hij in 1998 weer iets won: de Jan Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret.

In dat boek introduceerde hij de term ‘opengewerkt proza’. Die sloeg op het type teksten dat hij bewondert, het fragmentarische proza van Gogol, Sterne en Multatuli, en zelf ook wilde schrijven: een tekst die laat zien hoe hij gemaakt is, waarin de chaos niet is gladgestreken. Jongstra is het type schrijver dat de werkelijkheid ziet als een incoherente brij, en daarvan getuigt zijn literatuur. Hoezeer hij ook volgens de geijkte conventies een plot probeert te construeren – bijvoorbeeld in zijn laatste roman, de Scandinavische-detectivepastiche Aan open water (2016) – het eindresultaat lijkt toch altijd meer op een schuimend mozaïek van stukjes en weetjes.

Zijn werk balanceert dikwijls op de grenzen van geschiedschrijving en encyclopedie, waarbij nooit zeker is wat een authentiek citaat is en waar een scheut fictie is toegevoegd. Zo maakte hij boeken als het encyclopedische Groente (1991), de historische roman De heldeninspecteur (2010) en Kristalman (2012), een biografie van Multatuli in de stijl en vorm van een Multatuli-tekst. Behalve als romancier is Jongstra ook criticus: de boekenredactie van NRC weet hem vaak te vinden als er een buitenissig boek op waarde geschat moet worden.

In die recensies toont hij wat hij ook als romancier voorstaat: hoe enthousiast je kunt zijn als er buiten de lijntjes gekleurd wordt, hoe wonderlijk en mooi het kan zijn als het allemaal niet blijkt te passen. Jongstra paste daarmee tot nu toe vooral tussen writer’s writers die zich van dezelfde postmoderne procedés bedienden, en daarmee net buiten de grenzen van de smaak van literaire jury’s vielen. Maar nu bekroonde een jury dat „kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding”.