SCP: onder de 971 euro ben je arm en minder mensen zijn dat

Volgens de nieuwe monitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau neemt de armoede in Nederland gestaag af. Hoe zie je dat in de praktijk?

Foto David van Dam

Je bent arm als je niet in staat bent met je inkomen een minimale levensstandaard te behalen, afhankelijk van tijdperk en land.

Zo definieert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) armoede, in zijn dinsdag verschenen monitor. Armoede in Nederland, schrijft het SCP, is niet te vergelijken met armoede in landen waar hongersnood en droogte heersen. En armoede hier en nu is heel wat anders dan armoede van net na de Tweede Wereldoorlog.

De Nederlander van nu heeft minimaal 971 euro per maand nodig, dat is het basisbehoeftebedrag. 375 euro voor de huur, 180 voor boodschappen, 53 voor kleding, enzovoort.

En dan is er nog het niet-veel-maar-toereikendbudget. Dat houdt ook rekening met ontspanning en sociale participatie. Daarvoor is nog 92 euro nodig, zoals 24 euro voor vakantie, 20 euro voor bezoek ontvangen, 2 euro voor de bibliotheek. De bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, het Nibud.

Wie die definities hanteert, ziet dat de armoede in Nederland daalt. In ‘piekjaar’ 2013 had 5,3 procent van de Nederlanders minder te besteden dan het basisbehoeftebedrag en 7,9 procent te weinig om sociaal te participeren. In 2014 daalde dit percentage naar respectievelijk 5,1 en 7,6 procent en het SCP verwacht – recentere gegevens ontbreken – dat dat laatste armoedepercentage sindsdien verder is gedaald tot 7 procent en met de aangekondigde koopkrachtverbetering op Prinsjesdag nog ietsje lager wordt. Maar het laagterecord van vóór de economische crisis, respectievelijk 3,8 en 5,6 procent in 2008, is nog lang niet in zicht.

Zo’n 2,2 miljard euro komen de armen in totaal tekort. Maar dat hele bedrag nu in één keer op hun bankrekening storten heeft weinig nut. Dan zul je volgend jaar wéér 2,2 miljard kunnen storten, zegt onderzoeker Stella Hoff, opsteller van de armoedemonitor. Wat ze ermee wil zeggen: geld lost de oorzaken van armoede, zoals werkloosheid en ziekte, niet op.

Maar met banen creëren ben je er óók niet. Een flink deel van armen ís werkend, 41 procent. En daarvan het grootste deel ‘gewoon’ in loondienst. Tot de risicogroepen behoren verder eenoudergezinnen en kinderen tot 12 jaar. Zij zijn in de armoedecijfers bovengemiddeld vertegenwoordigd. Onder 65-plussers is het armoedepercentage zelfs extreem laag: 3 procent leeft onder de armoedegrens. Veel ouderen hebben aanvullend pensioen en ze ondervinden sinds 2001 profijt van fiscale maatregelen, verklaart Hoff.

De meeste armoede komt voor onder niet-westerse allochtonen, met name onder Marokkaanse Nederlanders. Van hen behoort 22 procent tot een huishouden met een inkomen onder het ‘niet-veel-maar-toereikendcriterium’. Dat is ruim viermaal zoveel als autochtonen. Ze hebben het moeilijk op de arbeidsmarkt, zegt Hoff, „en misschien dat de huidige beeldvorming rondom moslims ook een rol speelt”. Vooral de tweede generatie blijft relatief vaak arm. Landelijk is het armoedepercentage voor autochtoon én allochtoon relatief het hoogst in de drie grote steden en in Friesland, Drenthe en Groningen.

Van de Nederlandse armen heeft het grootste deel minder dan 5.000 euro aan spaargeld. Ruim de helft zegt een onvoorziene uitgave zoals een nieuwe wasmachine niet te kunnen betalen. Toch zijn er ook ‘rijke’ armen. Zo heeft 15 procent van de arme huishoudens een vrij vermogen van méér dan 50.000 euro. Eenderde van de armen heeft een koophuis. En 14 procent heeft een woning met een overwaarde boven de 50.000 euro. Kun je hen nog arm noemen? Hoff: „Daar voeren we intern wel discussie over ja. Sommige van mijn collega’s zeggen: zulke bedragen moet je meetellen. Anderzijds: je kunt niet in ieders woonkamer kijken. Misschien hebben zij wel schulden bij familie, vrienden.” Om de vijf jaar ‘herijkt’ het SCP de definitie van armoede.

Het SCP liet ook burgers bepalen wat armoede is, in een focusgroep met acht personen. Zij stelden de grens flink hoger: een alleenstaande hoort minimaal 1.459 euro te ontvangen uitgaande van het niet-veel-maar-toereikendcriterium. De burgers rekenden aanzienlijk hogere bedragen voor ontspanning en wonen dan het SCP deed. Zo zou een alleenstaande volgens hen minimaal moeten beschikken over een logeerkamer. Hoff: „Wij zijn dus nog best streng geweest.”