Column

Tegen de kwakzalvers

Voor of tegen alternatieve geneeswijzen? In een interview met NRC deed Peter Jan Margry, hoogleraar Europese etnologie aan de Universiteit van Amsterdam, net alsof hij er niet over wilde oordelen. Als onderzoeker van die geneeswijzen wil hij liever onbevooroordeeld lijken, maar erg lang hield hij zijn neutrale houding niet vol.

Nog in hetzelfde interview krijgt de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) er stevig van langs. Die vereniging bestrijdt sinds 1881 medische en paramedische handelwijzen die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn. „Een soort wezensvreemde gemeenschap”, vindt Margry, „die hooghartig en eenzijdig het eigen gelijk blijft ventileren en koesteren.”

Wat wil hij dan? Dat ze bij de VtdK het eigen gelijk van de alternatieven koesteren? Maar ze vinden dat nu eenmaal geen eigen gelijk, ze vinden het misleiding van goedgelovige, zieke mensen en ze willen daartegen waarschuwen. Margry geeft toe dat er geen bewezen werkzame kracht bij de alternatieven te vinden is, „maar het helpt de consumenten, cliënten of patiënten wel. Zij voelen zich er beter bij. Of dat reëel is of niet: moeten wij dat bepalen?”

Margry vindt het wél terecht dat de VtdK bezwaar maakt tegen de gevaarlijke ‘Klaus Rossen’. Hij vergeet dat de VtdK in haar stroom van publicaties juist consequent laat zien dat de ‘Klaus Rossen’ geen geïsoleerde brokkenmakers zijn, maar onvermijdelijke uitwassen van een troebel, slecht gecontroleerd pseudomedisch circuit.

Alsof de reguliere geneeswijzen zo foutloos zijn, schamperen de alternatieven meestal. Nee, dat zijn ze niet, en dat zullen ze ook nooit worden. Maar wie ernstig ziek wordt, kan zich toch beter tot de reguliere geneeskunde wenden als hij zijn leven lief heeft. Het grappige is dat veel critici van de regulieren dat gelukkig ook meestal doen als ze zich ernstig ziek voelen.

Als Margry morgen wakker wordt met een onbekende, vlijmende pijn, ergens in zijn organen, gaat hij dan naar die haptonoom of homeopaat om de hoek, geeft hij zich op zijn gemak op bij een cursus mindfulness, of snelt hij toch maar gauw naar die goeie, ouwe, reguliere huisarts die hem ogenblikkelijk naar een specialist kan verwijzen? Ik denk dat ik het antwoord weet – en Margry ook.

Juist in de week dat Margry zijn uitlatingen deed, verschenen er twee interessante publicaties over dit onderwerp. Cees Renckens, ex-voorzitter van die vermaledijde VtdK, schreef onder de titel Er bestaat niets beters een brochure met een schat aan oude reclame-uitingen uit kwakzalverkringen. Vermakelijk én ontluisterend.

En Mariëtte Baarda, migrainepatiënt, schreef het boek Kinderen waaien om, een even hilarisch als wrang verslag van haar zoektocht naar genezing. Ook de reguliere geneeskunde heeft haar niet kunnen genezen, maar het wemelt in haar boek toch vooral van dubieuze alternatieve genezers.

Tegen een verwijtende vriendin die wel in de alternatieven gelooft, zegt ze: „Ik begrijp niet dat de mensen die eerst proefrijden voor ze een auto kopen en op internet eindeloos zoeken naar de zuinigste wasmachine en de kleine lettertjes lezen bij het afsluiten van een verzekering, totaal andere maatstaven aanleggen als het om alternatieve geneeswijzen gaat.”

Het is die naïviteit die steeds weer nieuwe ‘Klaus Rossen’ zal genereren.