Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

Slaven waren niet machteloos

Interview De jonge historicus Karwan Fatah-Black krijgt een Heineken Young Scientists Award voor onderzoek naar koloniale geschiedenis en slavernij.

Zijn belangstelling voor koloniale geschiedenis hangt samen met de veranderende tijdgeest, zegt Karwan Fatah-Black. De geboren Amsterdammer met een Koerdisch-Irakese vader en een Nederlandse moeder vertelt: „Ik ging studeren na de opkomst van Fortuyn, en het verbaasde me hoe snel de Nederlandse intellectuele elite door de knieën ging. Opvattingen die we lang allemaal leken te delen, werden plotseling afgedaan als ‘politiek correct’. Racisme bleek nog steeds diep geworteld en ik dacht: dat heeft vast te maken met het koloniale verleden.”

Fatah-Black studeerde af met een scriptie over de invloed van het patriottische gedachtegoed in de koloniën. In 1795 was er een grote slavenopstand op Curaçao en hij onderzocht hoe die samenhing met de Patriottenbeweging in de Republiek.

Hadden de patriotten een standpunt over slavernij?

„Ja, sommige radicale patriotten in Nederland vonden dat die moest worden afgeschaft. Eén witte patriot op Curaçao correspondeerde met de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek en legde zijn geestverwanten uit dat slavernij toch echt noodzakelijk was.

„Interessant is dat de gekleurde vrije bevolking van Curaçao zich geïnspireerd voelde door de ideeën van de Franse Revolutie. Het streven van hen was gericht op Curaçaose autonomie. Zij wilden dat Willemstad een vrijhaven werd.

„Er kwamen al jaren geen Nederlandse schepen meer en de keuze was dus tussen Fransen en Engelsen. De Fransen hadden de slavernij intussen afgeschaft en vanuit Guadeloupe deden schepen met zwarte kapiteins en zwarte bemanningen Curaçao aan. Dat inspireerde de gekleurde eilandbevolking. Een van de leiders van de slavenopstand, Tula, zei: omdat Frankrijk Nederland heeft bezet en Frankrijk de slavernij heeft afgeschaft, geldt dat hier nu ook.”

Fatah-Black kreeg na zijn afstuderen een promotieplaats in Leiden. Thema van zijn dissertatie was ‘informaliteit’ in de economische betrekkingen met Suriname. Veel handelscontacten verliepen buiten de West-Indische Compagnie (WIC) om en de handel met de kolonie was geen exclusief Nederlandse aangelegenheid. Het mercantilistische streven van de Republiek – ‘de koloniën drijven alleen handel met ons en onze compagnieën’ – is volgens de onderzoeker mislukt.

Fatah-Black: „In het oorspronkelijke octrooi voor Suriname staat dat zowel de bevoorrading als de verhandeling van tropische producten allemaal via de Nederlandse markt moest gaan. Dat was niet te doen. Eigenlijk is het koloniale project alleen geslaagd omdat de kolonisten zich daar niet aan gehouden hebben. Regionale contacten, zoals met de Britse kolonies in Noord-Amerika, waren nodig voor het importeren van de dagelijkse behoeften van Suriname. En ook voor de verhandeling van suiker en melasse was een groter netwerk nodig.”

Hetzelfde geldt voor de slavernij, zegt Fatah-Black. „Lang bleef een aanzienlijk deel van de slavenhandel buiten beeld van de onderzoekers. Intussen hebben we, door het werk van Henk den Heijer over de Middelburgse Commercie Compagnie en dat van Ruud Paesie over de smokkelvaart, een realistischer beeld van de omvang van de Nederlandse transatlantische slavenhandel.”

Hoe bepaal je de economische waarde van de Nederlandse slavenhandel?

„Er is lang vooral gekeken naar de verdiensten van de afzonderlijke compagnieën. Dan zie je dat in de loop van de 18de eeuw de winstmarges afnemen. Maar je kunt ook kijken naar de totale omzet en wat er aan economische activiteit werd gegenereerd rond die slavenhandel. Slaven werden in Afrika aangekocht voor ruilgoederen en vervolgens verkocht in Amerika.

„Het verschil tussen inkoop- en verkoopprijs is natuurlijk geen winst, daar moet van alles van betaald worden: het schip, de bemanning. Maar al die kosten zijn wel inkomsten voor degene die de ruilgoederen geleverd heeft, voor wie het schip heeft gebouwd, enzovoort. Zo kun je ook buiten de compagnie kijken naar de economische impact, hoeveel activiteit de slavenhandel opleverde voor lokale economieën.”

Samen met Matthias van Rossum herberekende Fatah-Black de inkomsten uit de Nederlandse slavenhandel. Ze kwamen uit op een totaalbedrag van tussen de 63 en 78 miljoen gulden voor de 17de en 18de eeuw. Dat is meer dan tot dusver werd aangenomen, maar nog altijd een klein percentage van de totale handelsinkomsten van de Republiek.

Hoe belangrijk was dit economisch voor de Republiek?

„Het was een relatief kleine, maar strategische handelsstroom. Strategisch omdat hij de arbeid leverde voor het Atlantische economische systeem. En die transatlantische handel is eigenlijk de enige sector in de Republiek die het nog een beetje goed doet in de 18de eeuw, alle andere zien we krimpen.”

Sinds dit voorjaar leidt Fatah-Black in Leiden het onderzoeksproject Paths through Slavery. Subsidiegever NWO wil ‘de slavernijstudies in Nederland versterken met onderzoek naar urban slave agency and empowerment in 18de- en 19de-eeuws Suriname’.

Wat houdt dit onderzoek in?

„Slavernij wordt al gauw gelijkgesteld met volstrekte machteloosheid van slaven. Toch wisten zij wel degelijk gewicht in de schaal te leggen, en niet alleen door in opstand te komen. Wij bekijken onder meer hoe mensen de slavernij uit komen. Hoe ze, eenmaal vrij, gaan samenwerken om zich staande te houden in de kolonie.

„We onderzoeken nalatenschappen van mensen die tijdens hun leven slaaf zijn geweest en later vrij zijn geworden. In die testamenten kun je zien wat voor bezittingen ze hadden, aan wie ze die wilden doorgeven en hoe zo’n gemeenschap van vrijen zich wist te redden. Vrijgelatenen proberen ook familieleden vrij te krijgen. In die nalatenschappen zie je dat mensen soms redelijk grote bedragen nalaten om andere familieleden vrij te kopen.”

Krijgen slaven na beëindiging van de slavenhandel een sterkere onderhandelingspositie?

„Ja. Die handel stopt overigens later dan we denken, want ook zonder aanvoer uit Afrika gaat hij nog jaren regionaal door en de marine houdt zich nauwelijks bezig met bestrijding. Maar als de aanvoer stokt, zie je de situatie op de plantages verbeteren.

„Er is ook een ongunstig effect. Rond 1830 wordt het echt moeilijker om nog in slaven te handelen en wordt ook duidelijk dat de afschaffing eraan komt. Er worden dan meer obstakels opgeworpen voor vrijkoop. Want als je slaven die een ambacht beheersen vrijlaat, ben je hen voorgoed kwijt.”