Schatgravers in afgedankt textiel

Reportage sorteerwerk In een fabriekshal in Assen wordt dagelijks een berg van 15.000 kilo afgedankte kleding gesorteerd. Sociaal werk, maar ook keiharde handel. „Mijn werk is mijn familie.”

Siriveri uit Tanzania aan het werk in het sorteerbedrijf, gevestigd in een anonieme fabriekshal in Assen. Foto’s Sake Elzinga

Open die klerenkast en trek eruit wat je niet meer draagt. T-shirts, truien, een omslagjurk, het kaartje er nog aan. Schoenen, een spijkerbloes van G-Star en verrek dat jasje met schoudervullingen uit het jaar nul.

Te klein of juist te groot. Vol pluizen of uitgelubberd. Vandaag verdwijnen ze in de kledingcontainer van Sympany. En ditmaal gaat ook de afgedragen lievelingsbroek mee. Alleen twee strengen spijkerstof houden het kruis nog bij elkaar.

In een anonieme fabriekshal van Assen zijn de sorteersters er hartstikke blij mee. Zoals ze ook blij zijn met dekens, handdoeken, gordijnen, riemen, tassen en schoenen. Zelfs als er maar één exemplaar van is. Die heten Pakistanschoenen. Ook die leveren geld op: 20 cent tegenover gemiddeld 4 euro voor een paar.

Afgedankte kleren beginnen hier aan een tweede leven. En 38 werknemers krijgen een tweede kans, soms een derde of een vierde. Een hechte club mannen en vrouwen van achttien nationaliteiten, ieder met een eigen gebruiksaanwijzing. Ze draaien op ritme en regelmaat. Dat geeft hun rust en zekerheid en levert de werkgever een omzet op van 15.000 kilo gesorteerd goed per dag.

Op de vloer staan de werknemers met een arbeidsbeperking. Zij sjouwen, trekken, drogen, wegen, gooien op. Sommigen hebben een aandoening – zoals borderline, autisme of korsakov – en vaak ook een probleem met autoriteit.

Op een verhoging achter een lopende band vind je vrouwen uit de kaartenbakken van de sociale dienst. Twee aan twee verdelen ze het textiel over achttien tonnen, voor elke categorie in zomer en winter één.

Bijna allemaal zijn dat „dames van allochtone komaf”, vertelt bedrijfsleider Reggie Silanoe. Ze komen uit grote gezinnen die zelf kleren maken en verstellen. Herintreedsters met „het goeie gevoel voor tweedehands, mode en kwaliteit”. Kijk, een motorpak. Mallika gooit het languit op tafel, knijpt in het leer, pakt de broek onder bij de pijpen, keert ’m en doet datzelfde bij de achterkant. Het pak is A-kwaliteit en belandt in de bak ‘shop winter’. Silanoe: „6 euro in een vintagezaak. Dat is de slagroom op onze taart.”

Rijbewijzen, sieraden, breiwol, bankpasjes, voorbinddildo’s, een levend konijn. Alles komt voorbij

Foto Sake Elzinga

Voorvrouw Sema achter een van de sorteertafels. Foto Sake Elzinga

Foto Sake Elzinga

Adri, paradijsvogel met cowboyhoed en behangen met jarenzeventigbuttons, noemt zichzelf „een veredelde slaaf”. Foto Sake Elzinga

Modern pauperparadijs

Eigenlijk, vertelt Adri achter de balenpers, moet je dit sorteercentrum zien als een modern pauperparadijs. En is hij, Adri, paradijsvogel met cowboyhoed en behangen met jarenzeventigbuttons, „een veredelde slaaf”. Maar dan wel eentje „die van de baas mag pijproken” en geen werkdag overslaat: „Toen het glad was, ging ik om vier uur ’s ochtends lopend van huis.” En eentje die zich inzet voor het goeie doel, vindt Philip in legeruniform. Driekwart van wat voorbijkomt, wordt doorverkocht en hergebruikt.

Philip rijdt heftruck, erbovenop zit een speelgoedbeer. Via het sociale werkbedrijf Alescon begon hij in de aanstekers en stapte hij over naar de auto-onderdelen. Maar dat liep mis. Zeiden ze dat hij moedwillig een auto kapot had gemaakt. „Nou, mooi dat ik toen naar de post ging en daarna hier mocht werken. Voor de mensen in Afrika. En o ja, mijn hobby’s zijn computers en treinen en op de manege begeleid ik verstandelijk gehandicapten bij het paardrijden.”

Opgooier Marcellino, kickboksveteraan met gouden tand, grijpt in een zak met vuilnis. Dat krijg je ervan als gemeenten in hun bezuinigingsijver de grijze vuilniscontainer nog maar één keer per maand laten ophalen. Marcellino: „In Assen kieperen mensen hun zooi zo in de kledingcontainer.” Adri: „Mijn neus wijst me de weg.”

Noem ons maar schatgravers, zegt opgooier Bart, en hij grijnst van oor tot oor. Alles wat door de gleuf van de kledingbak past, ziet hij voorbij komen. De volledige vlooienmarkt. Rijbewijzen, sieraden, breiwol, bankpasjes, voorbinddildo’s, speelgoed, dvd’s, puzzels, condooms, glazen en bekers. Iemand vond een levend konijn, een ander piepende jonge katjes. En geld. „Ik heb vorige maand nog een envelop met 100 euro gevonden.”

Stress, er is een kwaliteitsprobleem

Begin dit jaar is Bart door zijn rug gegaan. Overgewicht. Via zijn jobcoach kon hij bij een sportschool trainen en nu is hij 23 kilo lichter. Gelukkig maar. Want dit werk is zijn houvast, hij wil het niet kwijt. Hij heeft een psychose gehad. Hoorde stemmen in zijn hoofd en was dolblij dat hij aan de slag kon na drie jaar thuiszitten. „Thuis ben ik alleen en word ik depressief. Hier ben je met veel en sta ik er niet alleen voor.” Dat schept ook buiten werktijd een band. De vrouwen gaan samen winkelen, de mannen kijken voetbal.

Als de sorteersters de lopende band sneller zetten, ontploft Marcellino. „Stop!”, roept hij met overslaande stem, „Effe dimmen dames!” Tegen de verslaggeefster: ,,Je moet hier een team zijn.” Anders lukt het niet om met z’n drieën 3.000 kilo textiel te sorteren. Bijna 9.000 kledingstukken per sorteerband per dag. Bedrijfsleider Reggie Silanoe komt nerveus de vloer opgebeend. Zijn hoofd is knalrood. Er is stress. „We hebben een kwaliteitsprobleem”, roept hij naar voorvrouw Sema achter een van de sorteertafels. Hij wappert met een overhemd en een T-shirt. Door een inkoopster uit een Angola-baal gevist. De een is vergeeld, de ander gescheurd. Er zitten zweetplekken en nekvlekken op. Hoe kunnen de sorteerdames nou denken dat dit C-kwaliteit is?

Opletten mensen, dondert de bedrijfsleider in de lunchpauze. Vieze en kapotte shirts sturen we niet naar Afrika. Daar maken we poetsdoeken van. Net zoals vale, verknipte en kapotte spijkerbroeken apart worden gehouden. Die worden ontdaan van knopen en ritsen en gerecycled tot pennen, dashboards van auto’s of in glaswol verwerkt als isolatiemateriaal. „Of we vervezelen ze tot een nieuwe spijkerbroek. Maar dat kan nog niet helemaal uit.”

Eigenlijk moet je dit sorteercentrum zien als een modern pauperparadijs

Foto Sake Elzinga

Bijna 9.000 kledingstukken per sorteerband per dag. Foto Sake Elzinga

Foto Sake Elzinga

Foto Sake Elzinga

Pakistanschoenen

Luuk Duursma van sociaal werkbedrijf Alescon voelt zich niet aangesproken. De sorteerfouten zijn niet het pakkie-an van zijn 26 werknemers op de vloer. „Dat is voor Sympany Assen. Die moeten dat met de inkoper uitvechten.” Begrijp hem niet verkeerd: natuurlijk moet er geld worden verdiend, maar „het allerbelangrijkste zijn onze mensen. Die staan centraal. Daar moeten we voor zorgen.”

Zijn mensen hebben een arbeidshandicap. Ze doen beschut werk, hun banen worden gesubsidieerd. De kunst is, zegt Duursma, „om ze werk te geven waarmee ze hun eigen meerwaarde creëren”. Beginnen ze op 20 procent loonwaarde, ontwikkelen sommigen dat naar zeventig. Maar eenvoudig is dat niet. Vaak spelen er meer problemen. Zitten ze in de schuldsanering, zijn ze eenzaam, eten ze niet, kunnen ze niet zelfstandig wonen. Dan helpt de jobcoach. „Wat dat betreft zijn we hier vader en moeder tegelijk.”

Neem Vianni die bij de schoenen staat. Ze is een alleenstaande moeder en begint in het sorteercentrum in Assen pas om half tien nadat ze haar kinderen naar school heeft gebracht Net als Aaltje van de administratie. Zij heeft last van dwangneuroses. Werken moet met de deur open en aankleden kost al gauw een paar uur, alles moet spic en span zijn. Dus toen haar wasmachine het begaf, kwam er via het werk gauw een tweedehands exemplaar.

Werk is familie

Een vrachtwagen voor de Pakistanschoenen is gearriveerd. De balen zijn ditmaal verkocht aan een handige Duitse zakenman. Die heeft een grote opslaghal en koopt op jaarbasis zeventig ton enkele schoenen op. Wereldwijd. Daarvan kan hij na verloop van tijd 65 procent weer paren. Een Nike voetbalschoen maat 43 uit Assen matchen met een Nike maat 43 uit Gent. Tel uit zijn winst: 3 euro tachtig per paar.

In het magazijn geeft Siriveri uit Tanzania een boks en drukt daarna zijn vuist op zijn hart. Weet de verslaggeefster wel hoe dankbaar hij is? „Mijn werk is mijn familie.” Collega’s hielpen hem toen de boekhouder er met zijn geld vandoor ging. Ze gingen met de pet rond voor de vliegreis van zijn aanstaande en vonden tussen alle kleren een bruidsjurk. En daarna is ze in Nederland bevallen van zijn kind, de werkgever betaalde de ziektekostenverzekering.

Weet je , zegt Siriveri en hij straalt erbij alsof hij de jackpot heeft gewonnen: „Ik hoop dat mijn Aisha hier straks ook kan werken.”