Hoe vier krankzinnige jaren bijna alles in de samenleving veranderden

Sixties In het V&A Museum in Londen kun je zien hoe ongeveer alles is veranderd door vier krankzinnige jaren: 1966-1970.

2609CUL_vrijstaand_4k_

Het is een beduimeld stukje papier dat in een vitrine van het Londense V&A Museum hangt, op de pas geopende tentoonstelling You Say You Want a Revolution? Records and Rebels 1966-1970. Toch vormen de slordig geschreven zinnen vol doorhalingen, die schuin over het papier lopen, een document van historische waarde. Ze werden in 1966 door John Lennon geschreven vlak nadat hij een lsd-trip had gemaakt. ‘Turn off your mind, relax and float downstream’, zo staat er in haast onleesbare hanenpoten. Het is de beroemde eerste regel van ‘Tomorrow Never Knows’, de psychedelische soundscape waarmee het Beatles-album Revolver eindigt.

Dankzij dit nummer maakten in 1966 miljoenen jongeren wereldwijd kennis met de geestverruimende werking van lsd. Lennon was sterk beïnvloed door het boek The Psychedelic Experience (1964) van de Californische drugsgoeroe Timothy Leary toen hij de songtekst schreef. Hij zou passages uit het boek op tape hebben gezet en die gedraaid hebben tijdens zijn acidtrip. ‘Put down all thought, await the shining void’, schreef hij herhaaldelijk op het A4’tje, een zin die later in de officiële songtekst werd veranderd in ‘Lay down all thoughts, surrender to the void’. Het voelt intiem, om hier met je neus op Lennons priegellettertjes te mogen staan. Dichter bij de oorsprong van een historische revolutie kun je haast niet komen.

De jaren vijftig, zo zei Bob Dylan eens, eindigden pas in 1965. In Groot-Brittannië waren homoseksualiteit en abortus op dat moment nog illegaal. De doodstraf bestond er nog. De pil werd alleen verstrekt aan getrouwde vrouwen, scheiden was haast onmogelijk. Racisme was aan de orde van de dag. In de VS waren gemengde huwelijken tot 1967 verboden. Maar in 1970, slechts 1.826 dagen later, zag alles er anders uit, zo schrijven de samenstellers van de tentoonstelling in de catalogus. Er had een ‘youthquake’ plaatsgevonden. De baby’s die vlak na de oorlog massaal geboren waren – in Engeland alleen al waren dat er meer dan een miljoen in 1947 – hadden zich ontpopt toch opstandige tieners. Er was een nieuwe, idealistische generatie opgestaan die wilde breken met zo’n beetje alles wat hun ouders hadden opgebouwd.

De expositie Records and Rebels wil laten zien wat voor impact die bevrijdende periode van 1966 tot 1970 op onze huidige samenleving heeft gehad. Talloze maatschappelijke veranderingen die we nu gewoon vinden, zoals gelijke rechten voor vrouwen, homo’s en zwarten, werden in die jaren bevochten. Het was een tijd waarin de middenklasse massaal drugs begon te gebruiken, een periode die de geboorte zag van de milieubeweging, van rockfestivals, macrobiotisch eten, communes, new-agefilosofieën, de eerste Apple-computer. En vooral: een tijd waarin een gezond wantrouwen tegen het establishment begon te groeien.

Witte fiets zonder slot

De tentoonstelling focust op de ontwikkelingen in Swinging Londen en de Amerikaanse westkust, op de minirokken van Twiggy dus, en de hippies van Haight-Ashbury. En passant worden ook revoluties in andere regio’s aangestipt, zoals de studentenopstanden in Parijs in 1968, de demonstraties van de zwarte bevolking in het Diepe Zuiden van de VS en zelfs Mao’s culturele revolutie in China. De Nederlandse Provo-beweging komt ook zijdelings aan de orde, in de vorm van een replica van een witte fiets die achteloos tegen een wand geparkeerd staat – uiteraard zonder slot.

Meer dan 350 objecten vullen de overvolle zalen – posters, kostuums, boeken, flyers, foto’s, schilderijen, films, tarotkaarten, elpeehoezen – en schetsen zo een beeld van de tegencultuur. De twee samenstellers, V&A-conservatoren Victoria Broackes en Geoffrey Marsh, maakten eerder de zeer succesvolle David Bowie-tentoonstelling. Net als die expositie is ook Records and Rebels een multimediale show, waar iedere bezoeker een koptelefoon krijgt met een interactieve soundtrack die zich aanpast aan de looproute. Hoor je bij binnenkomst nog de zoete tonen van Simon & Garfunkels ‘The Sound of Silence’ uit 1964, een zaal verder toetert al ‘My Generation’ (1965) van The Who door de koptelefoon, terwijl je door een bordkartonnen versie van Carnaby Street loopt, het hart van The Swinging City.

Bij de entree van de tentoonstelling heb je dan al de eerste tekenen van verzet kunnen zien. Daar ligt bijvoorbeeld het dagboek van de Amerikaanse folkzanger Woody Guthrie in een vitrine. In nette blokletters schreef hij in 1944: ‘Op mijn Gibson gitaar heb ik een kreet geschilderd, die luidt: This Machine Kills Fascists. En ik meen ieder woord dat daar staat.’ Op je koptelefoon hoor je intussen Sam Cookes ‘A Change is Gonna Come’, een lied dat hij in 1964 schreef nadat hij en zijn vrouw vanwege hun huidskleur geweigerd waren bij de Holiday Inn in Shreveport, Louisiana. Het werd het lijflied van de burgerrechtenbeweging.

Ook in die eerste zaal ligt, heel onopvallend, een kostbaar kleinood: een originele versie van Thomas Mores Utopia uit 1516. Het is dit jaar precies vijfhonderd jaar geleden dat de Engelse humanist daarin zijn ideale samenleving beschreef, als een eiland waar verschillende religies in vrede naast elkaar kunnen bestaan en waar iedereen gelijke rechten heeft. Zo maakt Records and Rebels meteen duidelijk waartoe deze tentoonstelling de bezoeker wil inspireren: dromen van een betere wereld. Om dat te benadrukken staat er in koeienletters een slogan van Margaret Mead op de muur, de Amerikaanse cultureel antropologe die een belangrijke woordvoerder was van de seksuele revolutie: ‘Twijfel er nooit aan dat een kleine groep van nadenkende, toegewijde burgers de wereld kan veranderen.’

Mick Jagger zei het zo, in 1968 in een interview met de International Times, het lijfblad van de tegencultuur: „Ik ben geïnteresseerd in het idee van een alternatieve samenleving die voortkomt uit de ontwikkelingen van de afgelopen paar jaren. Niet een specifiek hippieding of een drugsding, maar een algemene herevaluatie van zaken waar mensen zich mee bezighouden. Ik denk dat dit het einde betekent van de ene maatschappij en het begin van een andere, in plaats van alleen maar de oude maatschappij in een nieuwe te veranderen.”

Veel platgetreden paden

De sixties vormen een periode die al vaak in beeld is gebracht. Ook Records and Rebels heeft daaronder te lijden en slaat regelmatig platgetreden paden in. Het is een tentoonstelling die sterk teert op nostalgie en fandom. Dat zie je ook aan het publiek, dat voor een groot deel bestaat uit babyboomers, sommigen nog altijd met lang haar en met dampende e-sigaret in de hand. Ze vergapen zich aan de relieken van hun helden die als juwelen worden uitgelicht: het ziekenfondsbrilletje van John Lennon, het sexy pakje dat Jane Fonda droeg in de film Barbarella (1968), de brokjes gitaar die restten van het optreden dat Jimi Hendrix gaf op 4 juni 1967 in het Londense Saville Theatre.

In de zaal die de politieke opstanden in 1968 in beeld brengt, wordt de chaos je haast te veel. Boven je hoofd draaien de wieken van een helikopter, terwijl op je koptelefoon geweerschoten klinken. Beelden tonen protesterende studenten, posters schreeuwen om gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen. Een gekmakende chaos is het, maar ook een doeltreffende manier om duidelijk te maken hoe snel de ontwikkelingen elkaar opvolgden, in die woelige late jaren zestig.

Het is moeilijk om in die overdaad aan beeld, geluid en vloeidia’s te onderscheiden wat nu de werkelijk waardevolle stukken zijn. Want die zijn er zeker: er hangen originele kunstwerken van Bridget Riley en David Hamilton, en een indrukwekkende mandala van de Duitse fijnschilder Mati Klarwein, favoriet kunstenaar van Andy Warhol en beroemd vanwege zijn vele psychedelische hoesontwerpen.

Ook nuttig is de toevoeging van een affiche van Jugendstil-kunstenaar Alphonse Mucha. Daardoor snap je opeens waar de hippies hun druiperige, amoebe-achtige letters en hun bloemenpracht vandaan hadden: van zijn zwierige art nouveau.

Net als de Bowie-tentoonstelling eindigt ook Records and Rebels met een spektakelstuk. Bij Bowie was dat een zaal waar je op videoschermen een legendarisch concert kon bijwonen, hier word je ondergedompeld in het festivalgevoel van Woodstock. Liggend in zitzakken, of op het hoogpolige groene tapijt, is treffend de sfeer van een festivalweide nagebootst. Op drie grote videoschermen speelt The Who nogmaals ‘My Generation’, terwijl in vitrines de artefacten van Woodstock staan opgesteld: de kapotgeslagen gitaar van Pete Townsend, het westernjasje met slierten van Roger Daltrey. Het is theatraal, maar het werkt. Als je even later op de tonen van Lennons ‘Imagine’ de show verlaat, krijg je spontaan zin in een joint en een nieuwe summer of love.