Column

Douwe Egberts

CULRoosmalen 1

Met de buren hadden we het enorm getroffen, en zij met ons. We vonden elkaar in de wetenschap dat we behalve dezelfde straat niets deelden. We groetten, maakten praatjes, namen pakjes in ontvangst en voerden op verzoek de katten.

Een paar weken geleden stond ineens de buurman van een paar huizen verderop, die bij de helpdesk van mijn zorgverzekering werkt, voor de deur. Hij was nog niet zo lang in ons midden en snapte nog niet dat meer diepgang de dingen alleen maar zou verstoren. Hij wilde een moment van samenhang waar in een ongedwongen setting een en ander kon worden ‘afgekaart’. Mits hij genoeg medestanders vond wilde hij de organisatie van Burendag op zich nemen, we maakten dan bovendien kans op een door Douwe Egberts en het Oranjefonds beschikbaar gesteld ‘burenpakket’.

Hij verwees naar een onderzoek dat Motivaction in opdracht van Douwe Egberts uitvoerde en waaruit bleek dat koffie drinken met buren goed was voor iedereen. Hahaha, Motivaction…, dat was het bureau dat het (toen nog weekblad) HP/De Tijd ooit een gouden toekomst voorspelde vanwege de toenemende leeshonger onder ‘opwaarts mobielen’. Serieus hoefde je die onderzoekers dus niet te nemen. Toevallig viel Burendag ook nog eens samen met mijn moeders verjaardag.

„Wij gaan die dag helaas al ergens Douwe Egberts koffie drinken”, zei ik naar waarheid, waarna hij hoofdschuddend naar de volgende voordeur liep. Later hoorde ik dat de animo om op een zaterdagochtend met een plak zelfgebakken cake in de hand over geparkeerde auto’s, nestkastjes, vuilcontainers en poepende katten te praten, mager was.

Niemand had zin.

„Ik heb genoeg aan m’n eigen”, zei een buurvrouw bij wie hij het twee keer had geprobeerd. „Ik heb tegen hem gezegd: je wilt mij niet als vijand, maar helemaal niet als vriend.”

Zaterdag was het dan Burendag, we sloegen het als straat graag nog een jaartje over. Tijdens mijn loopje naar de bakker passeerde ik een paar straten verderop het buurthuis waar het wél feest was. Onder een over de straat gespannen oranje spandoek stond onze verzekeringsman in zijn koffie te roeren.

„Toch nog feest?”, begon ik een praatje.

„We hadden het er juist over….”, zei hij terwijl hij naar zijn gesprekspartners knikte die net als hij niet de indruk wekten bij een feest te zijn. „Wij wonen toevallig allemaal in straten waar de samenhang maar niet van de grond komt.”

Daarna: „Maar goed, u moet nog naar de verjaardag van uw moeder…”

Ik bleef nog even naar mijn schoenen staan staren, maar dan toch vooral omdat Mart Hoogkamer op de radio heel hartverscheurend Lachen, beetje huilen van Willy Alberti begon te zingen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.