Waarom de septemberhitte in ’59 erger voelde

Het strand nabij de Brouwersdam, Zeeland. foto anp

Toen het voor de derde keer heet werd dit jaar verdomde het RIVM het om nóg een keer het Nationaal Hitteplan te activeren. ’t Was de tweede week van september, traditioneel de tijd waarin supermarkten en warenhuizen hun marsepein en pepernoten naar binnen rijden, het kwik dreigde waarden aan te tikken die nooit eerder waren aangetikt, maar het rijksinstituut in Bilthoven had er geen zin meer in. Wéér zeggen dat bejaarden in de schaduw moesten blijven en zich beter kalm konden houden? Veel drinken en de gordijnen dicht doen, dan kwam het wel goed.

Verderop in Nederland werd minder mat gereageerd. De weermannen en -vrouwen van Weerplaza en Weeronline, altijd snel opgewonden, riepen dagenlang dat er een unieke landelijke hittegolf aankwam. Deze maal zou ook het centraal gelegen De Bilt getroffen worden door een aaneengesloten groep van vijf dagen die stuk voor stuk warmer dan 25 graden zouden zijn, inclusief drie met temperaturen boven de 30. Uiteindelijk liep het zo’n vaart niet, bleef het weer steken bij zo’n slappe regionale hittegolf, maar voor september werd het toch vreemd warm.

Aan de Nederlandse twitteraars heeft het RIVM uitgelegd dat het geen hitteplan activeerde omdat de nachten koel zouden blijven en - zoals vaker in september - lang zouden zijn. Daardoor zou geen vervelende hittestapeling optreden. Kwetsbare groepen hadden niets te vrezen.

Het instituut heeft zich vergist. De gemiddelde etmaalgemiddelde buitentemperatuur lag in de periode 12-15 september hoger dan in de periode 23-27 augustus. In het AW-labo stapelde zich wel degelijk hitte op, meer dan bij de eerdere net-niet-hittegolven. Er komt bij dat studies naar de relatie tussen hittegolfhitte en mortaliteit zich juist oriënteren op die etmaalgemiddelde buitentemperatuur. Over lange nachten lees je niks.

Misschien heeft het RIVM gedacht: de temperatuur is in die bejaarden- en verzorgingshuizen door het jaar heen al zó hoog dat de oudjes wel tegen een stootje kunnen. ’s Winters is het ook 24 graden in hun gemeenschapsruimte. Warmte is altijd relatief, moet je maar denken.

Zo is het. Misschien kwam de warmte van de ongekend warme september van 1959 (ruim 29 graden op de 11de) naar verhouding wel veel harder aan. Toen werd er nog niet zo waanzinnig gestookt in al die bejaardenoorden. De net genoemde mortaliteitsstudies houden nauwelijks rekening met variaties in inpandige klimaatregeling.

Hoe is het begrip ‘kamertemperatuur’, dus de binnentemperatuur die de Hollander ’s winters lekker vindt, hoe is dat begrip de afgelopen eeuw veranderd? Dat was door de Bilthovense weigerachtigheid een prangende vraag geworden.

Objectieve metingen aan de Hollandse binnentemperatuur bleken niet te vinden. Maar in de stokoude kranten van het krantenarchief Delpher blijkt het woord ‘kamertemperatuur’ vele duizenden malen gebruikt te zijn. Vanaf 1872, om precies te zijn. Aanvankelijk wilde men vooral met het oog op de gezondheid weten wat de optimale kamertemperatuur zou zijn. Andersoortige belangstelling voor de temperatuur kwam van de kolenschaarste uit de Eerste Wereldoorlog. Daarna ging de Hollander kamerplanten kweken die per se regenwater op kamertemperatuur moesten ontvangen, later kwam er weer kolenschaarste, een oliecrisis en nog het een en ander en toen kregen we de culicultus. Wina Born en Mia Snelder sommeerden ons eieren, boter, room en melk altijd op kamertemperatuur te verwerken. Het heeft veel verspreide informatie over die temperatuur opgeleverd.

In totaal konden voor de periode 1870 -1995 (daar eindigt het archief) zo’n 125 min of meer onafhankelijke waarden voor de kamertemperatuur worden genoteerd. Voor bijgaande grafiek is steeds het gemiddelde van de opgaven voor een periode van tien jaar berekend. Dat was een heel karwei want de kranten schakelden lange tijd onbekommerd heen en weer tussen graden Réaumur, Fahrenheit en Celsius. Ook waren de opgaven lang niet altijd eenduidig (‘Vijftien graden Celsius is te hoog voor kanarie en mensch’, 1924) of werden raar-ruime marges aangegeven (‘Kamertemperatuur, dus 15 à 25 °C’, 1885).

De uitkomst van het werk valt ook tegen. Een gestage gang naar steeds hogere kamertemperatuur, waarop nota bene al in de oude kranten zelf wordt gezinspeeld, al sinds 1938, wordt niet zichtbaar. Dat komt natuurlijk ook doordat de redacteuren niet werkelijk maten wat die temperatuur was, ze serveerden aannemelijke of gewenste waarden. De waarnemingen uit de negentiende eeuw lijken wèl op metingen te berusten. ‘Kamertemperatuur’ was toen nog niet zo’n burgerlijk, vanzelfsprekend begrip. We mogen daarom aannemen dat een temperatuur van 13 tot 15 °C rond 1870 werkelijk als behaaglijk werd beschouwd. Bedenk dat het advies om rode wijn op kamertemperatuur te drinken uit deze periode stamt.

Zoals bekend ligt de kantoortemperatuur tegenwoordig rond de 23 graden. Je zou kunnen zeggen dat de kamertemperatuur in 150 jaar met 10 graden steeg. Als het verloop min of meer lineair is geweest, dan lag de temperatuur in 1959 bijna 4 graden lager dan nu. Dan is de slotsom dat de septemberhitte van ’59 inderdaad veel erger was dan die van laatst. Dan was het toch wel verstandig van het RIVM om er geen soesa van te maken.