Interview

‘Twijfel is onderdeel van wat ik doe’

Lunchinterview Hannes Minnaar zag zichzelf als ‘pianistisch klusjesman’. Hij werd concertpianist. Op 1 oktober krijgt hij de prestigieuze Nederlandse Muziekprijs. „Ik was niet voorbereid op dit leven.”

©

Als ik had geweten wat een existentieel twijfelaar Hannes Minnaar (31) is, had ik hem nooit de menukaart van het Conservatorium Hotel gegeven. De concertpianist, winnaar van de Nederlandse Muziekprijs, de hoogste staatsonderscheiding voor klassieke muziek, kent zichzelf. Dus werpt hij een half oog op de lange lijst gerechten en kiest ijlings wat bovenaan staat. Had ik toen nou maar niet gevraagd ‘weet je het zeker?’. Wat volgde, was een minutenlange, weifelende stilte eindigend in een zucht: „Eigenlijk vind ik alles wel best.”

De jury van de Nederlandse Muziekprijs verbaast zich er in het juryrapport over dat Hannes Minnaar zich aanmeldde voor de muziekprijs. De prijs is niet zomaar een beeldje of een geldbedrag, het is een ‘ontwikkelingstraject’. Een jonge, getalenteerde kunstenaar wordt in staat gesteld zijn „kunstenaarschap te verdiepen”. Hij krijgt een mentor, volgt lessen bij de beste musici in binnen- en buitenland en wordt geholpen met een internationale carrière. Aan het eind van de rit komt dan de prijsuitreiking. Violiste Janine Janssen kreeg hem in 2009, harpist Remy van Kesteren eerder dit jaar. Maar Hannes Minnaar, vond de jury, had zijn sporen toch allang verdiend? Hij was het Amsterdamse conservatorium nog niet af (geslaagd met een 10) of hij had succes op prestigieuze, internationale muziekconcoursen. Hij had als solist gespeeld in het Concertgebouw, hij hád toch al een internationale carrière… Waarom dan nog zo’n leerschool, die ook nog eens vier jaar zou duren?

Hannes Minnaar heeft zijn keuze gemaakt. Iets met artisjok. Hij leunt, opgelucht, achterover in zijn stoel. „Niemand heeft ooit aan zien komen dat ik ‘een van Nederlands meest succesvolle pianisten’ zou worden.” (Zo noemt de jury hem). Hij zelf nog het allerminst. „Ik had nooit zo’n moordende ambitie.” Hij legde de lat alleen steeds een beetje hoger. Aan het eerste concours deed hij in 2008 mee „om te kijken waar het schip zou stranden”. Hij won een prijs. En daar was hij „best een beetje door van de kaart”. Omdat? „Ik had nooit verwacht zo ver te komen.” Aan het tweede concours deed hij mee om te checken of het eerdere succes geen toevalstreffer was geweest. „Ik was doodsbenauwd door de mand te vallen.” Maar toen het weer goed afliep, moest hij daar „iets” mee. Tot die tijd zag hij zichzelf als ‘pianistisch klusjesman’, misschien zou hij ‘correpetitor’ worden (begeleider van conservatoriumstudenten) of iets gaan doen in de religieuze hoek. Hij zag zichzelf als dienstbaar pianist met af en toe een solo-optreden op zondagmiddag in de kerk van Norg met veertig man publiek.

Nou zijn er behoorlijk wat reuze virtuoze pianisten op de wereld, die allemaal het liefst concertpianist worden. Maar voor hoeveel concertpianisten is er plek? Hooguit voor een paar. Nu kwam er ineens vraag naar Hannes Minnaar. De aanvragen voor concerten druppelden binnen. „Maar ik was helemaal niet op zo’n leven voorbereid.” Het Concertgebouworkest vroeg hem als invaller voor de Italiaanse pianist Maurizio Pollini „Het Concertgebouw! Alleen, het kon niet doorgaan. Het stuk dat ze me vroegen te spelen, kende ik niet eens.”

Sterker nog, hij had nauwelijks pianoconcerten op z’n repertoire. „Waarom zou ik? Voor die stukken heb je een orkest nodig en wanneer zou ik nou met een orkest gaan optreden? Als een gek ben ik gaan inhalen. Het eerste pianoconcert van Chopin, het derde van Rachmaninov, Beethoven. Voor het eerst hoorde ik echt hoe fantastisch die muziek is.” Hij speelde en speelde, zei op alles ‘ja’ en stelde voortdurend repertoire voor dat hij nog niet kende.

Zelf uitvogelen

Een acteur heeft een regisseur, een topsporter een coach, maar een beroepspianist repeteert alleen, zegt Hannes Minnaar. „Ik maak me de muziek graag zelf eigen, het liefst vogel ik zelf alles uit. Maar soms, als ik niet weet hoe ik het wil… Dan mis ik het wel…” Een leraar? „Ja. Ik had altijd de uithoeken van de klassieken gezocht. Ongebruikelijker repertoire, van Saint- Saëns, Szymanowski. Nu werd ik een andere wereld ingezogen. Daar moest ik wat mee. Ineens viel het kwartje. Een beetje sturing kon ik wel gebruiken.”

Je kunt ook zeggen: iemand moest hem helpen kiezen. In elk geval, hij auditeerde, al tamelijk op dreef als pianist, voor de muziekprijs. Hij kreeg een mentor, Jan Zekveld. Die begon met flink te wieden in zijn agenda. „Ik stond voor seizoenen vooruit geboekt. Te veel, te druk, vond hij.” Hij volgde master classes, onder anderen bij Ferenc Rados, een Hongaarse pianst. „Ik was eerder bij hem geweest. Hij is een fenomeen. Ik was benieuwd of de tweede keer de magie zou zijn uitgewerkt. Dat was niet zo. Die man voelt muziek zo bijzonder, zo echt. Zijn lessen duurden drie uur, maar nooit speelde ik een volledig stuk. Hij bleef eindeloos hameren op een paar noten, maar zei nooit hoe ik ze moest spelen. Dan vroeg ik of het pedaal moest inhouden of juist niet, gaf hij niet eens antwoord. Dat ik me bekommerde om zoiets banaals als een pedaal.” Wat hij van hem leerde? „Ik maakte alle noten even belangrijk. Hij vond: sommige zijn belangrijker dan andere.”

Nog een keuze waarbij hij geholpen moest worden: die tussen piano en orgel. Het orgel kende hij uit de synodaal gereformeerde kerk in Yerseke, zijn geboortedorp in Zeeland. De piano bespeelde hij sinds zijn zevende. „Ik was gefascineerd door alle muziek. Gitaar, prachtig. Viool, schitterend. De fanfare, fantastisch.” Zijn ouders – kleuterjuf en hoofd van een agrarisch laboratorium – bespeelden zelf niks, maar stemden toe in muzieklessen. „Ik kreeg een eigen keyboard. Vanaf dat moment was ik niet meer te redden.” Zijn vader las geen noten, maar was wel handig. „Hij zocht uit hoe het zat met akkoorden en deed ze aan me voor.”

Als tiener mocht hij het kerkorgel bespelen in de christelijk-gereformeerde kerk in Emmeloord, waar hij toen met zijn ouders woonde. Zelf vond hij het „waanzinnig”, de gemeente was iets minder blij met hem als organist. „Mijn spel verstoorde en overstemde hen. En eerlijk gezegd was dat ook de bedoeling. Ik wilde iets toevoegen, de mensen aan het denken zetten.” Achteraf gezien had hij misschien iets te veel ambitie. „De gemeente zette steeds net een tel te laat in. Dus wachtte ik tot zij begonnen, en dan begon ik pas.” En dan was er weer een dominee die zo nodig drie kwartier wat moest zeggen tussendoor. „Neuzelen over psalm 62: ‘Mijn ziel is stil tot God mijn Heer’. Ik kon alleen maar denken: wees dan ook eens stil.” Hij was kortom „meer een stads- dan een dorpsorganist”.

Cd’s lenen in de bieb

Nee, zegt hij, naar concerten ging hij nooit. Te duur en te ver. Hij luisterde als puber (hij was één van de twee gymnasiasten op zijn school) naar de radio. As hij iets interessants hoorde, haalde hij de cd ervan in de bibliotheek. Ravel, Brahms, Sjostakovitsj. Hij las, ook in de bieb, muziektijdschriften en boeken. „Ik heb nog gecorrespondeerd met Simeon ten Holt [Nederlandse componist, vooral bekend van Canto Ostinato]. Ik wilde een tienminutenversie maken van een compositie van hem. Vond hij niks. Toch gedaan. Maar het contact is altijd gebleven. Ik heb in zijn schuurtje zitten voorspelen, hij kwam met de bus naar recitals van me toe.”

Hij studeerde bij Jan Wijn, de „pianistenmaker” die bekende pianisten opleidde (Ronald Brautigam, Paulo Giacometti, de pianobroers Jussen.) „Niet iemand die per noot voorschrijft hoe het moet. Het kenmerk van zijn leerlingen is een hoge mate van zelfredzaamheid.” Die aanpak paste bij hem, 18 jaar oud, in zijn eentje op een kamertje in de Bijlmer in Amsterdam. Geen plek voor een piano, studeren deed hij hier. Hier, dat is het restaurant waar we zitten, voorheen de parkeerplaats van het conservatorium. Later kreeg hij een kamer toegewezen in een huis vol Conservatoriumstudenten op IJburg. Hij woonde er met zijn middelbareschoolvriendinnetje, sinds 2008 zijn echtgenote. Nu wonen ze sinds kort in Nederhorst den Berg.

Het orgel heeft hij nog niet zo lang geleden opgegeven. Zijn doorbraak als pianist liet hem geen keus. „Maar het orgel is heel belangrijk geweest voor mijn esthetiek. Je hoort elke noot, je kunt niets wegmoffelen, elke noot heeft zijn eigen plek.” Maar Ferrenc Rados leerde hem toch juist dat niet elke noot even belangrijk is? „Dat is ook zo, maar je moet onbelangrijke noten ook kunnen horen. Je moet ze niet comprimeren om een stuk begrijpelijker te maken, maar ze mogen ook niet alle aandacht opeisen. Dat is interessantdoenerij en daar heb ik een ontzettende hekel aan.”

Hij heeft eindeloos naar opnames uit het verleden geluisterd, zegt hij. „Dat herken ik… Ik voel me verwant met de Europese traditie, de Franse componisten, de Duitsers, Oostenrijkers. De Russische school… het is prachtig, maar ik begrijp niet goed hoe ze het voor elkaar krijgen, wat ze precies doen.” Want de Russen zijn hem te… romantisch, te meeslepend, te geparfumeerd?, vul ik in. Hij onderbreekt zijn gesproken gedachtestroom. „Nee, nee, dat is het niet.” Ach, zegt hij, laat ook maar. „Ik kan het niet met woorden zeggen.”

Hij heeft zichzelf de voorbije jaren beter leren kennen, zegt hij. „Twijfel is nu onderdeel van wat ik doe.” Hij moet er zelf om lachen. „Ik weet dat ik lang moet zoeken voor ik een stuk puur en echt kan spelen. Ontdaan van de dingetjes die ik doe om het interessant te maken, alle nodeloze toevoegingen en trucjes weg. Pas als ik echt iets te melden heb, speel ik het.”

En hoe vindt hij het op het podium? „Ah, de presentatie… Ik ben een slechte toneelspeler. Ik wil er geen grotere show van maken dan nodig is. Ik ben geen dwingende persoonlijkheid. Aan de andere kant, ik doe ook geen concessies. Ik ga een stuk niet sneller spelen omdat dat gangbaar is.” Hij heeft publiek nodig, zegt hij. „Ik zou het prima vinden als ik alleen nog muziek mocht luisteren. Maar spelen zonder het te laten horen…”. Hij schudt zijn hoofd en zegt zonder een spoortje twijfel: „Nee… dat is geen optie.”