Rotterdam heeft voor elke inwoner een eigen voetbalclub

Voetbalstad Rotterdam

Eén stad, drie verschillende clubs. Rotterdam beleeft bijzondere tijden met de opmars van Feyenoord (1e), Sparta (7e) en Excelsior (8e).

Feyenoord

Als Ben Wijnstekers op een doordeweekse ochtend een rouwstoet voorbij ziet trekken aan De Kuip, weet hij wat Feyenoord heeft betekend voor degene die op weg is naar zijn laatste rustplaats. Bij de Olympiaweg zullen de wagens vaart minderen, om daar, tussen kassa’s en stadiontrappen, even halt te houden bij het heiligdom aan de Maas.

„Dat is Feyenoord”, zegt Wijnstekers. Wie ermee opgroeit, gaat er soms ook mee dood. „Op de Zuiderbegraafplaats heb je een speciaal Feyenoord-vak. Ik ken ook verhalen van mensen bij wie er een Feyenoord-vlag over de kist lag. Je kunt dat bizar vinden. Maar je kunt ook denken: wat mooi.”

De man die Feyenoords aanvoerder was in een tijd dat Willem van Hanegem en Johan Cruijff er ook speelden, is fulltime ambassadeur van de club. Op wedstrijddagen is hij gastheer in de bestuur- en businesslounges, doordeweeks leidt hij trainingskampen, bezoekt hij scholen, traint hij jongens (en 25 meiden) en zaterdags speurt hij naar talent voor de jeugdacademie.

Feyenoord is de rode draad in zijn leven. Opgegroeid in de volkswijk Bloemhof achter de Kuip, liep hij als kind hand in hand met zijn ouders naar het stadion, net als al die andere families in de buurt. Samen naar Feyenoord kijken, naar Coen Moulijn en Fransje Bouwmeester, de andere week met de bus naar een uitwedstrijd. Hij weet hoeveel de club betekent voor heel veel mensen. „Op de tribunes zaten arbeiders die heel de week werkten om naar Feyenoord te kunnen, en dat is nog zo. Mijn vader was zo’n typische arbeider. Hij is nu 92, maar rijdt nog altijd in zijn auto naar het stadion. Dan zeg ik: pa, gaat het nog een beetje? Tot voor kort was hij zelfs nog gastheer. Zo zou ik ook wel oud willen worden.”

Wijnstekers is gek van Rotterdam. Van de blinkende architectuur, verfijnde restaurants en van een van de voornaamste gespreksonderwerpen: voetbal. Trots: „De drie clubs in de eredivisie doen me denken aan Londen, daar heb je dat ook.”

Londen heeft elf profclubs op een totaal van 8,6 miljoen inwoners, waarvan vijf op het hoogste niveau. Rotterdam heeft er drie, allemaal in de eredivisie, op een totaal van 630.000 inwoners. Verhoudingsgewijs steekt Rotterdam Londen daarmee de loef af als voetbalstad. Het overtreft ook de stad Manchester, dat twee clubs heeft op 550.000 inwoners, zij het wel Europese topclubs.

Wijnstekers: „Ik zou nog best voor één dag weer speler van Feyenoord willen zijn. Het rumoer op de tribunes, die perfecte grasmat. Dat is de magie van de Kuip. Mensen zeggen wel eens tegen mij: als je je niet goed voelt, ga dan even naar het Zuidplein, dan klaar je wel op van de aandacht die je krijgt. En dat is ook zo.”

Sparta

In een etablissement in de Rotterdamse binnenstad begint Anton Slotboom wat zachter te praten. Voorzichtiger ook. Want wat hij nu gaat zeggen is dan een gerucht, maar wel een hardnekkige dat hij als schrijver van drie boeken over Sparta nooit heeft kunnen ontkrachten. „Wist je dat over Coen Moulijn wordt gezegd dat hij zich eerst had aangemeld bij Sparta, maar daar niet door de ballotagecommissie kwam?”

De vader van misschien wel Feyenoords beste speler aller tijden werkte in een blikfabriek. Te min voor de eens zo deftige club die Sparta was. „Wie nu tegen Sparta is, blijkt vaak een opa of ander familielid te hebben dat niet door Sparta werd toegelaten.”

Zo verhield de club uit Rotterdam-West zich altijd tot Excelsior en Feyenoord: het was de eliteclub van Rotterdam. Opgericht door gymnasiasten nadat een vader in het oprichtingsjaar 1888 een bal had meegenomen na een zakenreis in Engeland. „Een zakenreis, in die tijd. Kun je nagaan wat voor mensen dat waren. Toen in 1916 Het Kasteel werd gebouwd, heeft de toenmalige burgemeester daar nog over meegedacht. Hij was weer een biljartvriend van een van Sparta’s oprichters.”

Hoewel Sparta inmiddels een club voor iedereen wil zijn, heeft het verleden nog altijd zijn weerslag op de clubcultuur. „Sparta staat voor mouwen opstropen, tot het einde van de wedstrijd. Daarna wordt de tegenstander bedankt voor de middag. Voor Feyenoordfans is Feyenoord het leven. Wordt de club gehuldigd op maandagochtend, blijken tienduizenden mensen plots vrij te zijn. Bij Sparta wordt meer gerelativeerd en zijn supporters met meer bezig dan voetbal. Zelfontplooiing, carrière maken in de culturele sector. Laatst stond ik 45 minuten in de rij bij de verkoop van nieuwe seizoenskaarten, begint een man achter me anekdotes te vertellen over Louis Couperus. Ik bedoel maar.”

Typisch Sparta? „Dat bij alle vergaderingen driftig is genotuleerd. In het gemeentearchief kun je bestuurlijke ruzies uit 1936 terugvinden als je wilt. En het lievige van de club. Kevin Strootman verkochten we ooit voor 700.000 aan FC Utrecht. Nog geen halfjaar later verkocht Utrecht hem voor 7 miljoen aan PSV. Toen we eind 2014 de nacompetitiefinale speelden tegen FC Dordrecht zou de club achter besloten deuren trainen. Maar de scout van FC Dordrecht heeft alsnog heel de training gezien en prompt was de tactiek doorzien. Dat is dat lievige van de club.”

Eens was Sparta de beste club van Rotterdam, met vijf titels tussen 1909 en 1915. Tot de groei van de haven doorzette en Feyenoord meegroeide met de toenemende stroom arbeiders. „Logisch dat de eliteclub achterbleef. Wie voor Sparta is, wil vaak niet de massa volgen. Noem het rebelsheid. Je zegt eigenlijk: ik ben anders.”

Excelsior

Tien minuten verderop doet een man de deur open van een burgemeesterswoning die zo groot is dat er met gemak nog enkele burgervaders hadden kunnen resideren. Dit is Kralingen-Oost, thuishaven van chique Rotterdam én de kleinste voetbalclub van de eredivisie. De man die opendoet, is ondernemer Vincent van Zon. „De buurman van Excelsior.”

De Rotterdamse ondernemer, die woont in een van de groene lanen naast stadion Woudestein, komt net van het Prinsjesdagontbijt in het stadhuis. „Het eerste waar PvdA-raadslid Leo Bruijn over begon was de bekerwedstrijd van gisteravond. Hij vond de 1-0 overwinning bij Barendrecht een beetje mager. Dat is nou Rotterdam. Het gaat meteen over voetbal.”

Van Zon was eens een jonge marketingspecialist die groot werd nadat zijn bedrijf werd ingehuurd door toenmalig Apple-topman Steve Jobs. „Als je op makrelen vist hoef je soms maar je lijn uit te werpen en ze happen vanzelf – zo ging het ook toen we ons in Silicon Valley vestigden.” Tegenwoordig houdt hij zich vooral bezig met vastgoed, kunst en Excelsior.

Bij de kleinste eredivisieclub van de stad is hij naast supporter en sponsor ook voorzitter van de stichting voor maatschappelijke projecten. Daarmee doet de club wat terug voor de maatschappij, zoals toenmalig premier Balkenende graag zag. In de contracten van spelers staat dat ze verplicht zijn om kinderen te helpen. Ze gaan de wijk in – er zijn tien contactmomenten per week – en andersom worden kinderen uitgenodigd in het leercentrum op Woudestein. „Wie daar enkele weken is begeleid, doet het daarna ook beter op school.”

Zelf kwam Van Zon als kind ook bij Excelsior. Hij zag er wedstrijden en bracht er met zijn vader oud papier naartoe. Het eeuwige Excelsior-cliché – winst uit oude kranten – is nu verleden tijd. „Vijf jaar geleden hadden we een begroting van ruim 2 miljoen euro. Nu is dat 6 miljoen”, verklaart Van Zon. „We zijn nog altijd niet groot, maar we zijn niet meer het kleine broertje van Feyenoord, zoals in de tijd dat er nog een samenwerking was. Dat werkte niet meer. Dan stalde Feyenoord David Conolly hier, die misschien wel meer verdiende dan alle spelers van Excelsior samen.’’

Wel is het gros van Excelsiors fans ook voor Feyenoord: zo’n tachtig procent, schat hij. „Dat is het grote verschil met Sparta, waar nauwelijks iemand voor een andere club is. Jammer dat Spartafans de enigen zijn die negatieve liedjes zingen in dit stadion: ‘Excelsior is de hoer van Rotterdam’.’’

Terwijl Excelsior juist bekend staat om zijn ‘huiskamersfeer’, waar iedereen welkom is en niemand het raar vindt dat oud-burgemeester en fanatiek Feyenoord-fan Ivo Opstelten er vier seizoenkaarten heeft. Studenten werken er als scout, in ruil voor een seizoenkaart. „Na elke wedstrijd mogen de kinderen hier het veld op om te voetballen. Hun ouders nemen een drankje in de businesslounge, terwijl zij voetballen tot de lichten doven. Zoiets kan bij Feyenoord niet. Logisch ook.”

Een van zijn volgende stappen is meer bewoners uit het chique deel van Kralingen te betrekken. Notarissen, bouwgiganten, politici. Hoe meer zielen, hoe meer vreugde in hun achtertuin. „Ik heb ook al tegen mijn dochter gezegd: neem nou verkering met zo’n voetballer.”