Recensie

Polemist, krenker en agressieveling

Albert Helman

Het leven van deze auteur, journalist en politicus leest als een trip door de 20ste eeuw.

Eigenlijk zou er bij Rusteloos en overal, de biografie van Albert Helman (1903-1996) een animatie gevoegd moeten worden die zijn reis over de wereld toont. Want het ‘overal’ uit de titel is een understatement. Als kind van Suriname naar Nederland en terug. Weer naar Amsterdam en door naar het Republikeinse Spanje, Zwitserland en Mexico. Terug naar Nederland en van daaruit verder terug naar Suriname. Washington, New York, Tobago en Italië; Hilversum en, ergens moet het eindigen, sterven in Buitenveldert. Maar het belang van een mens ligt niet in waar hij was, maar in wat hij deed. Maar ook daar rijst bij Albert Helman de vraag waar je moet beginnen? Bij de literator of bij de politicus, bij de diplomaat of de musicus? Of, dezelfde vraag eenvoudiger gesteld: bij Lou Lichtveld of bij Albert Helman?

Biograaf Michiel van Kempen vertelt het levensverhaal van de op 7 november 1903 in Paramaribo geboren Lou Lichtveld goeddeels chronologisch. Het levert een wat stroperig begin op, met wat veel al dan niet Indiaanse voorouders van de in een katholiek gezin geboren Lichtveld, die met het oog op een priesterschap op zijn twaalfde naar Nederland werd gestuurd en na twee jaar heimwee en hoofdpijn terugkeerde. Op zijn achttiende nam hij weer de boot naar het oosten en nu voelde hij zich wel thuis in Holland. Of althans, de piepjonge migrant verwierf razendsnel een plaats in het katholieke culturele leven.

Bakvis

Hij werd organist, componeerde enkele stukken en manifesteerde zich als muziekcriticus in De Telegraaf. Ook schreef hij voor het steeds vrijzinniger katholieke blad De Gemeenschap – waar hij begin jaren dertig mee brak, nadat hij te weinig steun vond voor zijn voornemen om het blad van katholiek tot neutraal om te vormen. Tegen die tijd was hij ook zelf van zijn geloof gevallen – en had hij met Mijn aap schreit (1928) en De stille plantage (1931) als Albert Helman zijn eerste literaire werken gepubliceerd. Dat laatste boek zou zijn naam vestigen en 25 drukken halen: het vertelt het verhaal van een familie die een ‘rechtvaardige’ plantage wil stichten, maar dat loopt door drankzucht, racisme en agressie uit op een ramp. Van Kempen: ‘De machten der natuur zijn sterker dan de humanistische gezindheid van de goedbedoelenden, een bekende strijd in Helmans boeken.’

In die jaren van groeiende faam wordt duidelijk wat Van Kempen als Helmans voornaamste handicap beschouwt: zijn haast: ‘Zijn motor om de wereld in alle hoeken te doorvorsen ging er alleen maar hoger door draaien [...] zijn eigen vastleggingen van kennis – hoe imposant vaak ook – bleven door zijn eigengereidheid vaak onder de maat.’ En hij kreeg vaak ruzie. Van Kempen schrijft dat een tegenstander hem een ‘polemist, een krenker, een agressieveling en een roekeloze flapuit’ noemde. Daartegenover stond: ‘een zeldzaam begaafd kunstenaar en verbijsterend gevoelig en suggestief verbeelder’.

Intussen leest het leven van Helman als een fascinerende trip door de 20ste eeuw: hij is nog niet klaar met filmen met Joris Ivens of hij trekt in 1932 naar revolutionair Spanje, waar hij zijn driekindergezinsleven verruilt voor dat met een Duitse beeldhouwster. Huwelijkse trouw was aan Helman niet besteed. Van Kempen gaat er in de loop van het boek steeds ontspannener over schrijven. ‘Het vertrek nadert en elke dag handelt Lou een andere dame af – een andere uitdrukking is moeilijk te geven.’ Of elders: ‘De veertiger taxeert de tiener, maar wie is nou eigenlijk de bakvis?’ In de lange rij weinig verheffende vrouwengeschiedenissen van Helman past zijn aanval op Anna Blamans roman Eenzaam avontuur (1946) inclusief verwijzing naar Blamans seksuele geaardheid. De biograaf vonnist: ‘Het is moeilijk de opstelling van Helman anders te interpreteren dan als die van een gekrenkt, rancuneus mannetje.’

Van Kempen heeft toch al een kritische blik op zijn onderwerp, zonder zijn empathie te verliezen. Intussen kun je niet anders dan bewondering krijgen voor de dadendrang van Helman, die na de oorlog (waarin hij een speelgoedhandel als dekmantel gebruikte voor zijn verzetsactiviteiten) niet koos voor een plaatsje in het culturele establishment, maar naar Suriname en de Antillen trok om daar mee te denken over modernisering van het koninkrijk.

Het leidde zelfs tot een ministerschap, een functie waarin zijn polemische natuur en geringe flexibiliteit hem eerst een bijnaam opleverden (‘Hitler’) en daarna een reeks ruzies waardoor hij het derde jaar van zijn ambtstermijn niet haalde. Dat verbaast je dan, op de helft van dit bijna honderdjarige leven, allang niet meer. Van Kempen laat in de veelheid aan feiten en activiteiten compositorisch weleens een steekje vallen en had in het tweede deel, waarover veel bronnenmateriaal beschikbaar was, nog wel wat kunnen snoeien – maar hij kent zijn object door en door. Met een knipoog over Helmans jaren in de VS: ‘Wat deed hij als diplomaat, behalve dineren?’ Maar hij laat ook scherp zien met hoeveel toewijding Helman zich voor Suriname inzette.

Landgenoot die weggeweest is

Uit een notitieboekje: ‘De neiging bestaat hier, de landgenoot die een poos weggeweest is, en die terugkeert, voor een betweter en een criticaster [te houden]. Men vergeet, dat niemand uit haat of afkeer ergens terugkeert, maar alleen uit liefde [...] Suriname is misschien wel dood op het ogenblik, maar moet en zal herrijzen!’ Dat was in 1946. Drie decennia later zal hij, niet in zijn eerste paternalisme gestikt, vinden dat de onafhankelijkheid veel te vroeg komt: een peuter met een scheermes in zijn handjes.

Van Kempen betreurt het dat Helmans literaire loopbaan nooit tot echt grote erkenning heeft geleid. Alleen De laaiende stilte werd in 1953 bekroond met de Vijverbergprijs, van een reeks Mexicaanse romans werd De rancho der X mysteries in het Duits vertaald, maar bijvoorbeeld de sociale geschiedenis van Kroniek van Eldorado is volgens Van Kempen schromelijk ondergewaardeerd. Waarschijnlijk werkte Helman ook gewoon te hard: waar hij ook was, wat hij ook deed, altijd combineerde hij het met journalistiek werk – op een gegeven moment blijft er geen tijd over om je boeken na te lezen. In een recensie van De laaiende stilte stond te lezen: ‘Zijn fout is dat hij aan zijn angst voor het kleine dikwijls de zuiverheid en waarachtigheid heeft opgeofferd. Helman heeft altijd een overmaat aan durf bezeten en een tekort aan zelfkritiek.’ Dat vindt Van Kempen wat al te kras, maar als er een woord blijft hangen na het lezen van het zeer avontuurlijke levensverhaal van Helman, dan is het toch wel dat: durf.