Londen is groener dan je denkt

Londen een van de groenste steden ter wereld. En veel van dat groen is verrassend genoeg van de City.

In het lange goudgele gras van Riddlesdown tsjirpen krekels en spelen vlinders. Boswachter Allan Cameron wijst op de kamille die er groeit, de marjolein en munt, op orchideeën en de bloeiende gele ratelaar, en op een torenvalk die in de lucht hangt. Ergens op de kalkheuvelrug grazen bijna tachtig koeien.Dit is Londen. Sterker, dit is de City. Synoniem voor bankiers en geld en glimmende gebouwen. Maar behalve de vierkante mijl aan bankkantoren in het hartje van de Londense hoofdstad is de City ook dit: 45 vierkante kilometer aan grote open gebieden aan de rand van Greater London, die de overgang zijn naar het echte platteland.

Je merkt pas hoe natuurrijk de Britse hoofdstad is – zelfs een van de groenste megasteden ter wereld – als je bijvoorbeeld de London Loop volgt, een wandelroute van 240 kilometer over de grens van de stad. Uren kun je lopen zonder dat je voeten voortdurend asfalt raken, het geluid van vogels wordt slechts af en toe verstoord door vliegtuigen of verkeer, en konijnen, herten en fazanten schieten voor je weg.

Dat Londen zo groen is, is te danken aan de koninklijke familie die de grote parken bezit (denk aan Hyde Park, aan Greenwich Park en Richmond Park), aan de City (Hampstead Heath met zijn zwemvijvers en uitzicht over de stad) en aan vooruitstrevende Victorianen. Veel van de bossen, heiden, zoetwatermoerrassen, commons (gemeenschapsgronden) en parken die Londen rijk is, vooral rondom de stad, werden in de negentiende eeuw door hen gered van bebouwing.

Het paste bij de tijdgeest. Honderd jaar industrialisatie had er bijna overal in Engeland voor gezorgd dat gemeenschapsgronden waren verwaarloosd, of door landheren was ingesloten door heggen zodat hun voormalige landarbeiders nu ze elders werkten er niet meer bij konden. Die hadden altijd het recht gehad er hun vee te grazen en te hooien, ook al was het land niet van hen.

Er ontstond een tegenbeweging, vertelt boswachter Cameron, in een vorige baan docent aan een landbouwschool. „Die afsluiting werd enorm gevoeld, men had het idee iets belangrijks kwijt te zijn.” De Commons Preservation Society werd opgericht, en de National Footpath Society, die met succes vocht voor het recht van overpad. Daardoor loop je in Engeland – zelfs in Londen – als wandelaar nog altijd dwars door iemands graanveld, of dwars door een wei met schapen en koeien.

In Londen voorkwamen burgers in 1864 dat graaf Spencer van de common van Wimbledon een omheind landgoed maakte en het ten dele verkocht voor bebouwing. Het was de eerste overwinning van vele.

Recht op platteland

Het idee dat iedere Engelsman recht heeft op toegang tot het platteland verankerde na de Wereldoorlogen. Militairen die „voor God, koning en vaderland” hadden gevochten, en op het strijdveld hadden gedroomd van de glooiende Engelse heuvels, kwamen terug. Ze eisten bescherming van dat landschap. De nationale parken stammen uit eind jaren veertig. Alle voetpaden en commons die toen op de kaart werden vastgelegd, zijn er nog.

In Londen is er sindsdien zelfs groen bijgekomen: een verlaten spoorweg in het noorden werd bijvoorbeeld de Parkland Walk, drie jaar geleden heropende het voormalige olympisch park in Oost-Londen, een vuilstortplaats aan de meest oostelijke grens heet op de kaart al optimistisch „toekomstig park”. Maar voortdurend woedt een debat of de groene zone rondom de Britse hoofdstad wegens het huizentekort niet toch bebouwd moet worden.

Vanaf Farthing Downs, een andere kalkheuvelrug aan de zuidgrens van Londen, wijst Cameron naar links en rechts: beide open gebieden zijn recente aanwinsten van de City of London Corporation, die het beheer voert over zowel het zakendistrict als 45 vierkante kilometer groen. Aan ene kant verkocht de deelgemeente Croydon twaalf jaar geleden weidegrond, en bewoners – bang dat er gebouwd zou worden – zamelden geld in zodat de City een bufferzone kon aanleggen tussen natuur en stad.

240916LUX_GroenLonden

Al was hun bijdrage wellicht niet nodig geweest; de City is een van de – zo niet de – rijkste gemeenten van het land. Uit een in acht eeuwen opgebouwde spaarpot (met in 2015 reserves van 2 miljard pond) wordt het natuurbeheer betaald, zodat de Londenaren er gratis kunnen ronddwalen. Waar andere gemeentes bezuinigen en de zorg op groen uitbesteden, zijn de boswachters van de City nog gewoon in dienst en wonen ze in hun stukje natuur.

Aan andere kant van de Farthing Downs stond een enorme wijk gepland; het riool en de wegen lagen er al toen de projectontwikkelaars door de oorlog failliet gingen. De City kocht het en brengt het nu langzaam terug naar een open kalkgraslandgebied.

Kalkgras is ideaal voor cricket

Boswachter Cameron is een enthousiaste verteller. Hij zegt: „Wist je dat we sinds de Tweede Wereldoorlog 69 procent van onze kalkgrasgebieden hebben verloren?” Het kalk is wat zuidoost-Engeland zo Engels maakt – denk aan de witte kliffen van Dover, of de heuvel waarop Windsor Castle is gebouwd. Kalkgrond is ideaal voor cricket, voor schapen en wilde bloemen.

Maar de enorme soortenrijkdom is kwetsbaar. Vandaar dat Cameron niet sproeit of maait maar koeien heeft lopen op Riddlesdown en Farthing Downs. Die eten bepaalde planten en zorgen dat de rest blijft groeien: „Het ongeoefende oog denkt dat we hier niks doen.”

Natuurbescherming was niet het oorspronkelijke doel van de City met het groen. „Men had het gevoel dat de stad zich opdrong, de City voelde vol. Het idee ontstond dat een gelukkige werknemer een productieve werknemer was, en dat als je hem na een week geploeter het platteland bood, hij uitgerust terugkwam.”

De trein, ook een negentiende eeuwse uitvinding, maakte dat mogelijk. Aan het einde van het spoor, in een straal van 40 kilometer vanaf de Guildhall, het stadhuis, kocht de City land. In het noordoosten Epping Forest, een eeuwenoud bos. In het oosten heidegrond en West Ham Park, een landgoed met een bijzondere plantencollectie. En in het zuiden Farthing Downs, Riddlesdown, en vier commons, waaronder Kenley, in de Tweede Wereldoorlog gebruikt als vliegveld. Het ministerie van Defensie oefent er nog altijd met zweefvliegtuigen. Maar de bermen vol bramen en vlinders, en de kleine heuveltjes die oude bunkers blijken te zijn geweest voor Spitfires, zijn van de City.

Boswachter Cameron negeert de waarschuwingsborden en dranghekken en rijdt de landingsbaan op. Plotseling stopt hij: een leeg colablikje. Het mag dan als platteland voelen, stedelingen laten hun ongewenste sporen achter.