Opinie

De metropool als wereldwonder

Veel Europeanen denken dat het niet goed leven is in megagrote steden als Los Angeles (17 miljoen inwoners) en Shanghai (20 miljoen). Maar de megastad is een wonder van vernuft, schrijft Zef Hemel.

©

Wat is er subliemer en fascinerender dan een hele grote stad? Op een paar vierkante kilometer tref je er alles wat een mens zich kan wensen: muziek, theater, kunst, voedsel, drank, parken, sport, vertier, hoogte, vergezicht, drukte maar ook rust en dat alles ook nog eens vierentwintig uur per dag. Een metropool is een wereldwonder en, net als de natuur, uit de aarde gegroeid. De grootste zijn het duurzaamst: wegen, infrastructuur en voorzieningen worden er het meest efficiënt benut; hun ecologische voetafdruk is per inwoner gemeten veruit de kleinste.

Grootstedelijkheid is buitengewoon zeldzaam. De wereld verandert razendsnel en de verstedelijking voltrekt zich in een extreem hoog tempo. Maar Nederland doet in deze dynamiek nauwelijks mee. Grootstedelijkheid – een grootstedelijke diensteneconomie – is hier ver te zoeken.

In 1800 was er nog geen stad op aarde die meer dan 1 miljoen inwoners telde. Tweehonderd jaar later telt onze planeet 28 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners; 43 steden met 5 tot 10 miljoen inwoners en 417 steden met 1 tot 5 miljoen inwoners. Voor 2030 voorspellen de Verenigde Naties liefst 41 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners, de meeste op het zuidelijk halfrond. Dat is opnieuw een verdubbeling in extreem korte tijd.

Toen de Amerikaanse architectuurcriticus Lewis Mumford in 1961 de voorlopige balans opmaakte van de wereldwijde urbanisatie, sprak hij van de ‘mythe van de megalopolis’ en de ‘slavernij van de grote aantallen’. De metropool vereenzelvigde hij met een sterk groeiende bureaucratie, zowel binnen de overheid als in het bedrijfsleven. De kantoorkolossen die inmiddels de grootste stedelijke centra bezetten, stonden in zijn ogen voor een monopolistische organisatievorm van kredietfinanciering. Bankiers waren de hele economie gaan beheersen. Ze hadden de prijs van hun vastgoed en hypotheken gebaseerd op waardestijgingen van grond en zelfs lucht.

Volgens Mumford zogen ze het land leeg, veroorzaakten ze congestie in en rond de stedelijke centra, voegden ze niets toe aan de economie. Zijn sombere toon was tekenend voor de naoorlogse jaren. Alleen deconcentratie van de grote steden en een grootschalige bouw van nieuwe frisse tuinsteden konden de wereld behoeden voor een ramp. Het gedachtegoed van Mumford zou leidraad worden in de naoorlogse ruimtelijke ordening – niet alleen in ons land, maar in vrijwel alle Europese, Amerikaanse en communistische staten.

Al met al duurde de fase van actief overheidsingrijpen in de ruimtelijke orde van stad en land niet langer dan hooguit twintig jaar. De economie leed er ernstig onder. Want steden zijn nu eenmaal economische motoren; een stad als New York heeft een economie die zo groot is als die van Canada; Houston in Texas zo groot als de BV Nederland. Knijp je zo’n stad af, dan kan ze niet presteren.

Midden jaren tachtig was er van de hele spreidingsgedachte weinig meer over. Planologen verdwenen stilletjes naar de achtergrond en de megalopolis ontwaakte uit zijn slaap, bevrijdde zich uit de groene omknelling en woekerde weer lustig voort. En juist de landen die waren overgegaan tot grootschalige deconcentratie van hun bevolking hadden het in de crisis van de jaren zeventig en tachtig het zwaarst te verduren. Kleine steden kunnen dan rake klappen krijgen. Eindhoven had het moeilijk toen Philips in de jaren negentig inzakte, Heerlen kromp toen de mijnen sloten. Grote, diverse steden kunnen echter tegen een stootje. Een stad als New York trek je niet zo gemakkelijk omver.

Achteraf kan worden gesteld dat de hele naoorlogse ruimtelijk-economische operatie in Europa en de Sovjet-Unie een grote vergissing is geweest en dat Lewis Mumford het bij het verkeerde eind had. Toch lijken in Nederland velen nog altijd te denken dat middelgrote steden beter zijn.

Lees ook over één van de groenste megasteden ter wereld: Londen is groener dan je denkt

Terwijl Europa zijn grote steden inbond, kwam Azië, met name Japan, sterk opzetten. Daar vormden zich megasteden: Tokio, Nagoya, Osaka, Hiroshima, Fukuoka. De Japanse cultuur heeft zijn steden nooit gelimiteerd. Voor Japanners is de stad een uitloper van het land en het land een deel van de stad. In het Shinto-geloof is het hele landschap heilig, ook de stad. De ruimte is er discontinu, bestaat uit autonome delen, en dat alles op elk schaalniveau. Japanse steden zijn bovendien gebouwd met de zekerheid dat ze ieder moment onder natuurkrachten kunnen bezwijken. Alles is er deel van de natuur. Daardoor begrijpen Japanners ook veel beter dat een stad een natuurlijk verschijnsel is dat naar eigen goeddunken groeit of krimpt.

Groot was de paniek in Europa toen Japanse, Taiwanese en Koreaanse metropolen een industriële sector ontwikkelden die gemakkelijk met de Europese kon wedijveren. Er werd gesproken van oneerlijke concurrentie, van te lage lonen die vast snel zouden stijgen, en nog steeds spreekt men in Europa op minzame toon over de Aziatische steden, alsof men de omvang van de steden een teken van onderontwikkeling vindt.

Op dit moment moeten Chinese steden het ontgelden. Maat en schaal zouden niet deugen. Smog zou een teken zijn dat ze niet deugen. Het zijn echter allemaal steden die snel schoner worden en die het liefst nog in omvang willen verdubbelen.

Wie in Shanghai gaat kijken, ziet een megastad van meer dan 20 miljoen inwoners, een van de rijkste stedelijke economieën op aarde. De voorspoed van Azië is gegrondvest op de ontwikkeling van megasteden. Dit gaat overigens allerminst ten koste van het platteland. Integendeel, de voedselproductie in Azië heeft juist in de afgelopen decennia een enorme groei doorgemaakt.

Zelfs in Afrika beginnen megasteden zich in positieve zin te onderscheiden. Weinig mensen hadden dat verwacht.

De allergrootste megasteden echter bevinden zich in India. Daar leven bijna 200 miljoen mensen in sloppenwijken, meer dan de helft van de totale Indiase stedelijke bevolking. Zijn megasteden als Delhi en Mumbai gedoemd te mislukken? De bevolking leeft er in een gespannen toestand, want ze is van oudsher zowel islamitisch als hindoe, en ook zijn de sloppenwijken extreem dichtbevolkt. Het grootste probleem is echter dat de meeste mensen er geen eigendomsrechten hebben en dit probleem speelt niet alleen in India. Ook in Afrika en in de Arabische landen kan tot 70 procent van de stadsbewoners geen rechten doen gelden op de grond waarop ze wonen. Zo kan zich hier geen middenklasse vormen.

Een pessimist voorspelt een ramp, die denkt slechts: dit kan nooit goed gaan. In potentie echter zijn deze megasteden geweldige economische motoren. Toen bijvoorbeeld Turgut Özal in 1983 aan de macht kwam in Turkije, bood hij de migranten in de sloppenwijk van Istanbul het recht zich te vestigen en hun zelfgebouwde woningen met extra verdiepingen uit te breiden en te verkopen. Hij koos voor de kleine ondernemer en verlichtte de druk van de staat. In tien jaar groeide de stad uit tot een metropool van 6 miljoen inwoners, nu met veel hoogbouw en met een omvangrijke stedelijke middenklasse.

In Europa speelt dit alles veel minder. Het fenomeen van de megastad is op het oude continent altijd fel bestreden. Zijn steden krimpen juist, migranten worden er bewust geweerd, de economische groei valt tegen. Maar ook hier trekt de bevolking samen in een beperkt aantal grotere steden. Londen spant de kroon. Binnen enkele jaren zal de Britse hoofdstad de grens van 10 miljoen inwoners passeren. Wenen, Stockholm, Parijs, Madrid en Amsterdam willen weer groeien; elk jaar groeit Amsterdam met 15.000 inwoners, de stedelijke regio passeert binnenkort de grens van de 2,5 miljoen. Hun bevolking wordt sterk internationaal, kosmopolitisch en raakt losgezongen van de rest van het land, dat krimpt en boos en xenofoob reageert. Opnieuw proberen regeringen deze grootstedelijke groei te verhinderen.

Om de boel bij elkaar te houden verklaarden Nederlandse ministers onlangs zelfs heel Nederland tot één stad. Daarmee gaven ze er blijk van er weinig van te begrijpen. Nederland is helemaal geen stad, net zomin als de Randstad een stad is. Op die manier benemen Nederland en Europa hun steden de kans om nog eenmaal te bloeien. Ons land heeft juist behoefte aan metropoolvorming, aan echte grootstedelijkheid. Een sterk geconcentreerde stedelijke ontwikkeling is ook hier onvermijdelijk. Nederland mag niet verworden tot een lappendeken van steden en stadjes, omcirkeld door spoorlijnen en snelwegen en afgewisseld met megastallen, golfcourses, outletcenters, kassen en dozen.

Laat tenminste ergens in Nederland een echte grote, diverse stad ontstaan. Ook Amsterdam en Rotterdam zijn, zeker op termijn, veel te klein om mensen alle kansen en mogelijkheden te blijven bieden. Dus als hier ergens een grote stad opbloeit – altijd van onderop en van binnenuit – moet ze de kans krijgen om verder te groeien en te verdichten.

Laten we ophouden met controleren en beheersen en alles netjes en eerlijk over het land verdelen. Laten we accepteren dat de regionale verschillen groter worden.

Metropolen zijn wonderen van vernuft, veel duurzamer dan middelgrote steden en eindeloze bronnen van welvaart en cultuur.