Is wat we doen dan zinloos?

Langzaam zie ik mijn studenten steeds verder wegzakken in hun stoel. Ze volgen mijn college geschiedenis en filosofie van de (neuro)wetenschap. Mijn lievelingsonderwerp! Maar terwijl ik het white board volkalk, zinkt hun de moed in de schoenen. Met hooggespannen verwachtingen over wat wetenschap is, doet en kan, zijn ze aan hun studie begonnen. Maar mijn college wakkert nu ineens onrust aan. Mijn boodschap: wetenschap is feilbaar. Het is een model, een werkwijze; we doen ons best, maar ontdekken ook steeds weer nieuwe problemen en denkfouten die moeten worden aangepakt. Het is mensenwerk.

Dat is niet wat mijn studenten willen horen. Ze hebben juist groot vertrouwen in hun experimenten. Het is toch simpel? Je hebt een hypothese, je toetst je hypothese en er komt iets uit! Ofwel je hebt gelijk, ofwel je hebt ongelijk. „En wat doen wij wetenschappers eigenlijk”, vraag ik. „Wat is onze functie?” „Ziektes oplossen”, antwoorden ze. En ik weer: „dus de oorzaak van ziektes vinden en dan een behandeling zoeken?” Zij (blij en in koor): „ja, dat is wat wij doen!”

Je wilt al die blije koppies niet teleurstellen, maar het is de vraag of we in de praktijk vaak echte oorzaken van ziekten vinden. Als je de biomedische literatuur goed leest, dan valt dat best tegen. We beschrijven en verklaren, maar de werkelijkheid is meestal te complex om te spreken van dé oorzaak. En het wonderlijke is: dat geeft niet, want voor succesvolle behandeling is vaak geen oorzaak nodig. Kijk naar multiple sclerose, de zenuwaandoening die ik zelf bestudeer. We hebben geen goed zicht op wat de oorzaak van deze slopende ziekte is, maar met de behandeling van de symptomen is al zoveel vooruitgang geboekt dat patiënten vaak jarenlang klachtenvrij blijven. We hebben de ziekte niet ‘opgelost’, maar we zijn toch behoorlijk ver gekomen. Dit overtuigt mijn studenten overigens niet. Zij zijn nog steeds sip. Zij verwachten méér van de wetenschap.

Maar ik kan het niet mooier maken. Aan de hand van een natuurwet en een paar gemeten experimentele waarden een alom geldende conclusie trekken werkt niet echt voor ons vakgebied. Wij hersenonderzoekers hebben geen E=mc2 of PV=nRT. Bij ons zijn wetten, zeker als het om menselijk gedrag gaat, moeilijker (of niet) op te stellen. En statistische waarschijnlijkheden zijn ingewikkeld als je op zoek bent naar zékere kennis. Bevestigen of ontkrachten van hypothesen is ook al niet 100 procent solide.

En hoe zit het met vertalen van concepten tussen wetenschapsgebieden? Ik schrijf dit alles uit op het bord. Mijn jonge publiek noteert het braaf, balend als een stekker. „Is het dan zinloos wat we doen”, vraagt een van de studenten vooraan. Nee nee, schud ik, onze wetenschap is niet zinloos. Maar wel minder zéker dan veel mensen denken. Is dat erg? Betekent het dat iedereen kan doen wat hij of zij wil? Of (dat hoor je wel eens) dat ‘wetenschap ook maar een mening is’? In het geheel niet! Wetenschappers denken veel scherper na over wat een gerechtvaardigde conclusie is dan deze of gene met ‘zomaar een mening’. We wegen vooraannames, studie-opzet, bias. En, heel belangrijk: we controleren elkaar. Wetenschappers werken samen in een constant, zich ontwikkelend gesprek. En we laten niet toe dat onze collega’s zich er met een jantje-van-leiden vanaf maken. We eisen scherpte in de discussie. Het ‘weten’ ontstaat ergens in dat gesprek.

Wetenschap mag dan feilbaar zijn, maar het is tegelijk ook het beste wat we hebben om kennis over onszelf en de wereld te vergaren. Met die halve zekerheden en tastende hypothesen genezen we meer mensen dan ooit! Is dat niet mooi?

Mijn studenten moeten nog een beetje zwoegen om de pracht hiervan in te zien, maar ik ben niet bezorgd. De meesten gaan het uiteindelijk waarderen en worden goed in het debat dat wetenschap heet.

Mijn voorganger in deze column, Piet Borst, is ook zo’n voorvechter van scherp debat. Ik heb hem nooit in real life ontmoet, maar met vele lezers heb ik toch het gevoel dat ik hem ken. Hij schreef 23 jaar voor de wetenschapsbijlage van het NRC en heeft de discussie over de Nederlandse wetenschap met passie beïnvloed. In zijn laatste column van juni jl. beschreef hij zijn ergernis over overheidsgeld dat wordt besteed aan alternatieve geneeswijzen. Maar eigenlijk ergert hij zich over het gebrek aan een goed gesprek daarover: „Ik kwam voor vuurwerk over deze prangende kwesties, maar het vuurwerk bleek nat. Een kans gemist.”

Piet Borst ziet, net als ik, waarde en vooruitgang ontstaan in debat. Het is een eer voor mij om nu in zijn schoenen te mogen stappen en hier te schrijven over wat ik meemaak in het fascinerende werkveld van de (neuro)wetenschap.

Dit is de eerste column van hersenwetenschapper Jeroen Geurts, hoogleraar Translationele Neurowetenschappen aan het VU medisch centrum in Amsterdam.