Recensie

‘Iedereen vindt van nature eigen vondsten het leukst’

Utopia in 2016

Thomas More’s Utopia zegt na 500 jaar nog altijd veel over onze huidige samenleving.

Vijfhonderd jaar na verschijning roept Utopia van de Engelse heilige, humanist en martelaar Thomas More (1478-1535) nog altijd controverse op. Die voltrekt zich vooral tussen verschillende generaties. Wie een levende herinnering aan het communisme heeft en ook zelf bezweken is voor de utopische verleiding van de gedroomde heilstaat, ziet in More’s fantasie over het eiland Utopia, waar de mensen het gezamenlijke geluk gevonden hebben, eerder een waarschuwing dan een belofte. Probeer nooit een blauwdruk voor de ideale samenleving te implementeren, we hebben gezien wat ervan komt.

Die afkeer vind je overigens niet alleen bij linkse spijtoptanten. Ook de toespraak van overtuigd neoliberaal Mark Rutte een paar jaar geleden, waarin hij het hebben van welke visie op de samenleving dan ook gelijk stelde aan zo’n gevaarlijke blauwdruk, die op een fatale wijze het zicht op de werkelijkheid zou ontnemen, past in de breed gedeelde afkeer van de utopie, die zich altijd tot ideologie verhardt. Wees realistisch, eis het haalbare!

Volgens zulke critici laat More’s Utopia zelf zien dat het ontwerpen van de ideale samenleving zich altijd tegen het individu keert – in Utopia zuchten de bewoners onder de terreur van de goede bedoelingen, alles is zo praktisch en logisch voor hen geregeld, dat er van hun vrijheid om te doen en laten wat ze willen bar weinig over blijft. Het is dat in 1516 de camera nog niet bestond, anders zou More gewoon de hel van de surveillance state hebben beschreven: ‘Nu zien jullie dat je daar nergens maar wat rond kunt hangen; er is nooit een aanvaardbare reden om niets te doen. Er zijn geen wijnhuizen, geen kroegen, nergens bordelen, geen gelegenheden voor misdragingen, geen geheime plekjes en besloten bijeenkomsten. Integendeel, het alziende oog van je omgeving maakt het noodzakelijk of je gewone werk te doen of je in je vrije tijd niet onfatsoenlijk te gedragen.’

Volgens de filosoof Hans Achterhuis is Utopia dan ook eerder een dystopie dan een utopie, in de moderne traditie van Orwells 1984 en Huxleys Brave New World.

Utopisch dromen mag weer

Een jongere generatie intellectuelen beschouwt Utopia juist als een immer frisse uitnodiging om na te denken over een alternatieve samenleving – we weten nu wel dat de wens de vader van de dictatuur is, we hebben te lang gehoord dat dromen over een ideale samenleving levensgevaarlijk is. Het is tijd om dat moratorium op het vergezicht op te heffen, er mag weer gedroomd worden.

More’s Utopia moet je in de eerste plaats zien als literatuur, filosofische fictie, een speelse en oneindig dubbelzinnige denkoefening. Zoals Merijn Oudenampsen onlangs in De Groene schreef: ‘Is Utopia een gesloten blauwdruk? Welnee, het is een uitbundige viering van de politieke fantasie. Een aanmoediging tot verbeelding en kritische reflectie over de ideale samenleving.’

Dat klinkt meeslepend, maar het miskent ook een reëel dilemma – dromen over een ideale samenleving, zeker binnen de veilige muren van de academische wereld, is fantastisch, en ook nodig, maar het kan snel onmachtig en zelfgenoegzaam worden.

Wie besluit de handen uit de mouwen te steken en zijn ideeën los te laten in de werkelijkheid, komt in aanraking met een bestaande orde die zich niet zo gemakkelijk laat veranderen. De kans bestaat dat alle utopische dromen snel vervliegen, of hopeloos gecompromitteerd raken.

Dat dilemma, en dat is schitterend, loopt als een rode draad door Utopia zelf. In het eerste deel van het boek, dat More na het tweede deel schreef, beschrijft hij een discussie die hij in het echt vaak met zijn vriend Erasmus gehad moet hebben – in hoeverre moet een denker zich inlaten met de macht? Moet hij superieur op afstand blijven om ongeremd zijn ideeën en idealen vorm te geven, of moet hij proberen zijn invloed aan te wenden bij de powers that be, op het gevaar af dat hij vuile handen maakt? Erasmus gaf de voorkeur aan de eerste houding, hij wilde bijvoorbeeld niet direct afhankelijk zijn van de Engelse koning Hendrik VIII, terwijl More diens adviseur en ambassadeur werd, met een fatale afloop.

In zijn Utopia doet More allebei. In het eerste deel, dat allesbehalve utopisch is, gaat het om de netelige vraag of een denker die zich in de publieke arena begeeft en daadwerkelijk invloed probeert uit te oefenen, zich niet hopeloos vergaloppeert – niet alleen omdat hij vuile handen kan maken, maar omdat er toch niet naar hem geluisterd zal worden.

Dat doet denken aan columnisten die de politiek ingaan of aan de mooie wetenschappelijke instituten die hedendaagse politieke partijen erop nahouden, die doorwrochte publicaties afscheiden waarin serieus wordt nagedacht over een betere samenleving – en die vervolgens zelden of nooit doordringen tot de actieve politiek.

Strenger straffen

Het eerste deel van Utopia bevat tal van zinnige gedachten die zo in het publieke debat van vandaag kunnen worden ingebracht – zoals bijvoorbeeld de zinloosheid van ‘strenger straffen’ – maar tegelijk beschrijft More de frustraties van de denker die iets wil bewerkstelligen. Ook daarin is hij hoogst actueel: ‘Ten eerste besteden de meeste vorsten liever hun tijd aan oorlogje spelen […] dan aan de edele kunst van de vrede en doen ze veel meer hun best om hoe dan ook, goedschiks of kwaadschiks, nieuwe koninkrijken in de wacht te slepen, dan om wat ze al hebben goed te besturen. Bovendien is er in heel dat legertje van koninklijke adviseurs niemand die het advies van een ander wil overnemen, ofwel omdat hij zijn eigen adviezen wel kan bedenken, ofwel omdat hij denkt dat hij dat kan. Anderzijds stemmen ze zonder blikken of blozen met volkomen absurde uitspraken van een ander in als hij bij de koning populair is, omdat ze denken dat ze dan in hem een goede kruiwagen hebben. Logisch, want van nature vindt iedereen zijn eigen vondsten het leukste.’

Au. Dat ‘van nature’ is veelzeggend – More weet uit ervaring dat er een kloof gaapt tussen een goed idee en een mens, dat het naïef is te denken dat verstandige inzichten niet ondergeschikt gemaakt zullen worden aan politieke belangen. Het verklaart wellicht ook de strakke hand waarmee het individu in het tweede deel – waarin de reiziger Raphaël Hythlodaeus over de staatsinrichting van het eiland Utopia vertelt – in toom gehouden wordt.

Dat tweede ‘utopische’ deel is voor een hedendaagse lezer wel degelijk problematisch, maar ook daarin weer verbluffend actueel. Het is jammer dat de discussie rond dit boek zich vaak vernauwt tot het gevaar van de onvoorwaardelijke totalitaire verleiding van de blauwdruk, want prikkelend aan More’s literaire fantasie is dat het een samenleving laat zien die de vrijheid van het individu op pragmatische wijze ondergeschikt maakt aan wat men oprecht denkt dat goed voor hem is.

More, schrijft Marja Brouwers in haar lucide nawoord bij Paul Silverentands vertaling, was veel meer een klassiek filosoof dan een christelijk denker, en menselijke vrijheid stond voor hem gelijk aan chaos. Dat idee is allesbehalve dood vandaag de dag – steeds meer worden we gestuurd en genudged naar goed gedrag, voor ons eigen bestwil, of omdat dat het beste is voor de samenleving.

Transparantie en meetbaarheid als verstikkend ideaal worden uitstekend beschreven in The Circle van Dave Eggers, een niet zo gelaagde roman, maar wel een beklemmende dystopie, waarin het individu volkomen object is geworden van een door technologie en commercie gedreven, eeuwig opgewekte samenleving. En om een reëel voorbeeld te noemen: het aangenomen wetsvoorstel van D66 om van iedereen orgaandonor te maken, tenzij hij daar expliciet bezwaar tegen maakt, zou zo in Utopia geplaatst kunnen worden, al zou More de ontsnappingsclausule waarschijnlijk achterwege hebben gelaten. Beter dan over het totalitaire schrikbewind van Stalin kunnen we het over de oprecht goede bedoelingen van Pia Dijkstra hebben.

Dat Mores Utopia die discussie een half millenium na verschijning nog op scherp kan zetten, geeft al aan dat we er ook de komende vijfhonderd jaar niet over uitgepraat zullen raken.