Interview

‘Europa moet leren bescherming te bieden’

Luuk van Middelaar

Europa was een ‘regelfabriek’, gericht op consensus en het besturen van de markt. Nu ontdekt het met een schok dat het ook daadkracht moet kunnen tonen onder druk. Politiek filosoof Luuk van Middelaar hield er vrijdag zijn oratie over.

Foto Katrijn van Giel

Het was de week waarin Angela Merkel zei dat ‘Wir schaffen das’ bij nader inzien toch niet zo’n goed idee was geweest. Op dezelfde dag klaagde Commissie-voorzitter Jean-Claude Juncker dat Brexit als een grote nederlaag blijft voelen. En op Prinsjesdag liet het kabinet-Rutte II een troonrede voorlezen waarin het nut van Europa beperkt is tot de bijdrage aan terreurbestrijding en banen in Nederland.

Drie signalen over Europa die bij elkaar tonen dat Europa schoksgewijs een enorme metamorfose doormaakt, zegt Luuk van Middelaar, politiek filosoof, hoogleraar en columnist bij NRC.

De Europese Unie was altijd een ‘regelfabriek’, ideaal voor het maken en onderhouden van een gemeenschappelijke markt, maar niet berekend op tijden van crisis. Toch moet ze nu ook ‘gebeurtenissenpolitiek’ bedrijven: daadkracht tonen onder druk. Met al die onvoorziene crises, middelpuntvliedende krachten in de Unie en roerige thuisfronten, gaat dat niet vanzelf, betoogde Van Middelaar in zijn vrijdag uitgesproken oratie als Leids hoogleraar ‘grondslagen en praktijk van de Europese Unie en haar instellingen’.

Van Middelaar (1973), die onder meer tekstschrijver was van Herman Van Rompuy, president van de Europese Raad van regeringsleiders (2010-2014), schreef in 2009 zijn bekroonde boek De passage naar Europa. Het gaat onder meer over het toegenomen belang van instellingen als die Raad, de ‘tussensfeer’ tussen de nationale ‘buitensfeer’ en de ‘binnensfeer’ van ambtenaren. Die tussensfeer is cruciaal bij crisisbeheersing.

Dat Europa de recente chaos min of meer kon bedwingen, was vooral dankzij improviseren. En dat zal het voorlopig blijven. Improvisaties, zo heet trouwens zijn nieuwe boek, dat in 2017 verschijnt.

„Bij elke onvoorziene crisis is het eerst rommelig”, zegt Van Middelaar op een Brussels terras aan het begin van de week. „Neem de eurocrisis. Daar zijn instrumenten bedacht, zoals de noodfondsen, om een volgende klap wél te kunnen opvangen. De vluchtelingencrisis heeft ook een jaar geduurd. In die tijd dachten we soms dat alles – Schengen, de interne markt – naar het putje ging. Die crisis is bedwongen met het afsluiten van de Balkanroute en de Turkije-deal. Allebei zonder precedent en wankel, moreel en juridisch misschien op het randje, maar het gaf de bevolking – en politici – sinds lange tijd het idee: we kunnen wél iets doen.”

Toch zou het sneller en effectiever kunnen, vindt Van Middelaar. Hij constateert dat politici steevast ‘met de verkeerde bril’ naar een crisis kijken, die van de vertrouwde ‘regelpolitiek’ waarmee de Unie groot werd. Daarin is niemand echt de baas en is alles gericht op consensus en ‘depolitiseren’. Allemaal historisch verklaarbaar en prima om ruzie over geitenkaas of visquota op te lossen. Maar voor kwesties van oorlog en vrede, identiteit en soevereiniteit, of een munt die op vallen staat, heb je niets aan Groenboeken en wekenlange consultaties.

„Die ‘gemeenschapsmethode’ geldt in Brussel als heilig”, zegt Van Middelaar. „Maar crises eisen zélf handelen: banken redden, aan de grens staan, optreden in conflicten zoals Oekraïne. Dat vergt een stevig publiek draagvlak en stuurmanskunst van de nationale leiders, in open contact met de ongelijke wensen van hun bevolkingen. Moeilijk, maar het kan.”

Is draagvlak niet het probleem? Besluiten ‘thuis’ uitleggen, leidt tot spanningen.

„De spanning kan te groot worden, dan knapt het. Brexit is er een voorbeeld van. Cameron heeft zes jaar lang lelijke dingen over de EU geroepen en hoopte daarna de campagne in drie maanden te keren.”

Veel landen hebben zulke sentimenten.

„Ik ben bezorgd dat de Unie vooral goed lijkt voor een bepaald slag mensen, die van reizen en van openheid houden, diploma’s hebben. En dat een andere groep mensen eerder de bedreigingen van Europa ziet. Op de linkerflank vooral tegen vrijhandel, op rechts tegen immigratie. In veel landen zie je twee groepen, ruwweg even groot: mensen die van de hele naoorlogse orde van open markten en open grenzen vooral de voordelen zien, en degenen die de nadelen zien. In Amerika is het precies hetzelfde.

„Maar de EU kent alleen het eerste trucje: meer vrijheid en kansen scheppen voor die vijftig procent die daar blij van wordt. Het is een ernstige vergissing als ze zich alleen daarop richt. Als de EU zegt: we moeten ons werk beter doen, kan het niet betekenen: meer van hetzelfde. Dat bedient alleen de eigen clientèle. Als het uitdraait op een strijd tussen de kosmopolieten en de nationalisten, weet ik wel wie er wint.”

Wat moet ze wel doen?

„Niet alleen vrijheid scheppen maar meer aan bescherming doen. Hetzij door zelf als beschermer op te treden, bijvoorbeeld aan de buitengrenzen. Hetzij door bestaande vormen van bescherming niet in de wielen te rijden, waaronder nationale welvaartsstaten. Ik vind dat je serieus moet nadenken over hoeveel toegang EU-burgers tot elkaars arbeidsmarkt moeten krijgen. De deal die daarover destijds met Cameron is gesloten, een ‘noodrem’ – misschien kunnen Duitsland, Nederland, Oostenrijk er ook iets mee, toegesneden op hun eigen arbeidsmarkt. Zo hou je het principe van vrij personenverkeer overeind, maar kun je ingrijpen als het moet.

„Zo’n verschuiving zie je ook in het denken over vrijhandelsverdrag TTIP. Dat is ook typisch een hebbedingetje voor de kosmopolitische elite, zowel in de VS als in Europa, maar waar veel andere mensen nog van overtuigd moeten worden.”

Maar iedereen zit in zijn loopgraaf.

„Het zal toch moeten. Neem asielquota. Voor de top in Bratislava van vorige week heeft Juncker gezegd: solidariteit is een kwestie van het hart en kan niet worden opgelegd. Dat is toch een soort handreiking naar Hongaren en andere dwarsliggers op het punt van verplichte verdeling van asielzoekers. Een jaar terug wilde hij het nog doordrukken met de regelmethode.”

Speelt mee dat burgers de voordelen van de EU vanzelfsprekend zijn gaan vinden en alleen nadelen zien?

„Ja. Daardoor blijft er weinig krediet op de balans om in slechte tijden uit te putten. En gebeurtenissenpolitiek gaat meestal over tegenslagen. Het slechte nieuws kleeft aan de EU. Maar als de Unie er niet was, moesten we het zelf doen. Het is een Nederlandse illusie dat we daar buiten staan. Vergeet het maar. Er is een woelige wereld. Dat die nog een beetje op afstand blijft, hebben we aan de Unie te danken. Als die wegvalt staan we zelf in de frontlinie. Dan moeten we de tegenslag alléén managen. Nederland is er niet uniek in, maar de illusie zit hier wel diep.”

De hele EU lijkt bang voor machtspolitiek.

„Ja en dat zal zo blijven. Maar de Turkije-deal getuigt wel van meer realpolitik.”

Van Rompuy heeft vaak gezegd dat besluitvorming het meest kansrijk is als nationale en Europese belangen samenvallen. Dat lijkt steeds minder het geval. Tegelijk zijn er schetsen voor een verbouwing van de Unie, waarin federalisten en eurosceptischer landen zich thuis kunnen voelen. Maken die plannen een kans?

„Brexit voelt als amputatie. Dat nu iedereen nadenkt over wat het is dat ons bindt, is voor een deel om de wond dicht te krijgen. Maar het thema dat opklinkt is inderdaad: meer rekening houden met verschillen tussen landen, met wie mee kan en wil doen. De situatie eist ambitieuzere plannen. Maar als je naar de kalender kijkt, komt er met verkiezingen in Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en Duitsland weinig van terecht. Merkel en Hollande hebben tot eind 2017 geen handelingsvermogen.”

Het volk ziet intussen: doormodderen.

„EU-leiders hebben de neiging pas besluiten te nemen wanneer, zoals Van Rompuy zei, iedereen aan de rand van de afgrond staat met het mes op de keel. Terwijl het nodig is vooruit te denken, in Berlijn, Brussel, ook in Den Haag. De VN-vluchtelingenorganisatie vangt mensen op in Jordanië en Turkije, maar de subsidies, overigens een habbekrats, zijn gekort. Penny-wise, pound-foolish. Het Europese vermogen om in geostrategische belangen te denken is zwak ontwikkeld.”

Hoe ziet u Rutte in dit opzicht?

„Hij is bij uitstek een regelpoliticus. Net als bijna al zijn voorgangers trouwens: evenwichtskunstenaars in de polder. Rutte heeft één gebeurtenis met een grote G gehad en dat was MH17. Toen voelde hij even, in de woorden van Tony Blair, ‘the hand of history op zijn schouder’. Toen het moest, toen de natie een woord en de toon van leiderschap nodig had – de glimlach was ook even 36 uur weg – deed hij het. Dus hij kan het wel. Maar het volk uitleggen hoe ingewikkeld de wereld is, en dan hebben we het niet eens over grote visies, dat mag wel wat meer.”

Is het angst voor Wilders?

„Nee, vooral de Nederlandse politieke cultuur. Het Midden-Oosten is ver weg. Wij hebben ons na de dekolonisatie uit de wereld teruggetrokken. Europa: tegen wil en dank. Veiligheid lieten we aan de Amerikanen over, zodat wij ons konden wijden aan het perfectioneren van onze polder. Die arbeidsverdeling is failliet. De wereld is binnenlandse politiek geworden.

„Nu komt het allemaal binnen – terrorisme, vluchtelingen, een Russische inval bij de buren – en verwachten mensen ook een ander type antwoord, nationaal en Europees. Ja, angsten worden opgehitst, maar mensen zijn niet gek: er zijn echte veranderingen wat betreft veiligheid, werkgelegenheid en immigratie, waar ze een antwoord op vragen. En als het centrum het niet biedt, gaat men naar de flank.”

Is er niet vooral behoefte aan een ander, bevlogener type politicus?

„Dat zou helpen. Politiek is ook theater, de spelers moeten handelen, maar handelen is ook vertellen. Merkel is geen vrouw van retoriek. In de behoefte aan een verhaal wordt dan elders voorzien.”

Wie staat er klaar in Nederland? Frans Timmermans?

„Die kan het zeker, voor verschillende soorten publiek. Dijsselbloem is te veel technocraat. Samsom kan het wel, als hij wil. Rutte zou het móeten kunnen.”

Met een goeie tekstschrijver. Iets voor u?

„Been there, done that.”

Bent u liever analyticus en wetenschapper, of lokt de regiekamer van de macht?

„Misschien een flauw antwoord, maar ik vind het fijn om heen en weer te bewegen. Bij de politici voor wie ik heb gewerkt bracht ik een intellectuele gereedschapskist mee. Aan de universiteit kan ik studenten iets laten voelen over politieke krachtsverhoudingen die anders zijn dan in de boekjes. De blik scherpen om dingen beter te kunnen plaatsen, ze weerbaarder maken in een ingewikkelde wereld. En ja, wel in de hoop invloed te hebben. In al mijn rollen gaat het om de goede woorden vinden. Maar ik ben eerder een schrijver dan een spreker, zoals u nu merkt.”