Recensie

Een boek vol oorlog en stilte

Eerste Wereldoorlog

In een monumentale bloemlezing komen direct betrokkenen bij de ‘Groote Oorlog’ aan het woord. Het resultaat: een onvolmaakt, maar prachtig en indrukwekkend overzicht.

©

Voor veel Nederlanders is het, zo merk ik, soms onbegrijpelijk. De Belgen lijken maar niet uitgepraat en ‘uitherdacht’ te raken over die Eerste Wereldoorlog (1914-1918) waarvan het westelijke front, een eeuw geleden, vastliep in het slijk en de modder van West-Vlaanderen. Er zijn weinig littekens die zo duidelijk het gezicht van de Belgische geschiedenis hebben getekend en die onze zuiderburen terzelfder tijd zo gloedvol koesteren. De ‘Groote Oorlog’ wordt in België actief herdacht in musea als het Flanders Fields in Ieper; op tientallen oorlogskerkhoven als het Tyne Cot Cemetery bij Passendale; in talloze beelden als het Treurende Ouderpaar van de Käthe Kollwitz in Vladslo; en in monumenten als de Menenpoort in Ieper, waaronder nog élke avond op klaroenen de Last Post wordt geblazen als eerbetoon aan de gesneuvelden van een eeuw geleden. (For the record: vandaag, vrijdag 23 september, gebeurt dat voor de 30.442ste keer).

Optimisten en pessimisten

Aan dat schier eindeloze rijtje van monumenten voegt uitgeverij Manteau er nu één toe in de vorm van een magistraal boekwerk, een Anthologie van teksten van het front in België, 1914-1940, zoals de ondertitel luidt van De Geschreven Oorlog.

In zijn voorwoord noemt Erwin Mortier dit boek ‘meer dan zomaar een bloemlezing’ – het is ‘een gebeurtenis’. Daarin overdrijft hij niet. Het werd een monumentale verzameling teksten die geschreven zijn door de generatie die de Eerste Wereldoorlog zelf meemaakte, als militair of burger, als vluchteling of als verplicht arbeider, als staatsman of bevelhebber, als familielid, als vriend, als schrijver of waarnemer. Samen geven die teksten een per definitie onvolledig en onvolmaakt, maar prachtig en indrukwekkend overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen aan het front in België.

Want door het boekwerk trekt een bonte stoet van bijna 350 verschillende getuigen. Gevestigde schrijvers als Rudyard Kipling, Siegfried Sassoon, Marcel Proust, Erich Maria Remarque, Jean Cocteau, Stijn Streuvels, Jean Giono, Stefan Zweig en anderen. Maar vooral onbekende mannen, vrouwen en kinderen; militairen en burgers; figuren uit de adel, uit de burgerij, landbouwers, mijnwerkers, onderwijzers, geestelijken, studenten, verpleegsters, historici, gendarmen, ambtenaren, kunstenaars, filosofen, journalisten, dokters, advocaten… Of, zoals de samenstellers Piet Chielens en Pieter Trogh ze ook classificeren in hun ‘tekstverantwoording’: conformisten en non-conformisten, optimisten en pessimisten, geliefden en verliefden, vaders en zonen, moeders en dochters, ijzervreters en defaitisten, bekenden en onbekenden, deserteurs, angsthazen en haantjes-de-voorste, schrijvers en schilders, dichters en zangers, grijze muizen en zonderlingen, goedpraters van de oorlog en integrale pacifisten.

Zij nemen ons mee naar het front met zijn verschrikking, stank en verderf, maar ook zijn verveling en heimwee naar huis. Met hen lopen, kruipen en vallen we het Niemandsland in, staan we gruwelijke doodsangsten uit wanneer een gasaanval wordt ingezet, creperen we in een veldhospitaal of bezoeken we de hoeren. Met hen verbroederen we met de vijand met Kerst, schieten we de mof zijn kop eraf, zien we kameraden aan stukken gereten worden door mortiergeschut, schrijven we die laatste brief naar huis. Met hen dopen we nog snel wat Afrikanen voor we hen de linies insturen, wenen we boven de brief die ons vertelt dat ons kind ‘voor het vaderland’ is gesneuveld, worden we trots gedecoreerd voor onze moed.

Met hen ook kijken we in de jaren na het eind van de oorlog verbitterd terug. Zoals een van mijn geliefde schrijvers Jean Giono (1885-1970) dat deed. ‘Wat mij doet walgen van de oorlog is de stompzinnigheid ervan. In de oorlog ben ik bang, ben ik altijd bang, tril ik, doe ik het in mijn broek. Omdat het dom is, omdat het nutteloos is. Nutteloos voor mij. Nutteloos voor de kameraad die samen met mij in de tirailleurslinie is. Nutteloos voor de kameraad aan de overkant…’

Kolonies

Erwin Mortier wijst in zijn voorwoord terecht op een opvallende stilte in deze bloemlezing. Er komen naar verhouding bijzonder weinig getuigenissen in voor van de nochtans massaal aanwezige koloniale troepen aan het front, met name uit Afrika. Frankrijk betrok meer dan een half miljoen manschappen uit zijn kolonies. Het Verengd Koninkrijk zette uit zijn uitgestrekte imperium naar schatting anderhalf miljoen Indiërs in en verder nog eens anderhalf miljoen manschappen uit Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. ‘In De Geschreven Oorlog zijn dus ook talloos velen aanwezig als een grote stilte, een buitenmaats ontbreken’. Een jammere omissie in dit papieren monument.

In het Flanders Fields Museum is tot 8/1 de tentoonstelling De Geschreven Oorlog te zien. Zie: inflandersfields.be