Recensie

De geest van Atjeh verzet zich nog steeds

Atjeh

De Indonesische regering wilde geen pottenkijkers in het dwarse gebied. Totdat in 2004 na de tsunami internationale hulpkaravanen arriveerden in Atjeh. Een nieuwe generatie westerlingen raakte in de ban.

Atjeh is een buitenbeentje in de Indonesische archipel. Door zijn ligging aan de noordpunt van Sumatra kwam het oude sultanaat al vroeg in aanraking met de islam en met kooplieden uit Europa die uit waren op Atjehse peper. In de zeventiende eeuw gold Atjeh als de ‘Veranda van Mekka’ en sultan Iskandar Muda wisselde ambassadeurs uit met prins Maurits der Nederlanden. Halverwege de twintigste eeuw bevrijdde Atjeh zich als eerste gewest van het Nederlandse koloniale juk. Van 1873 tot 1942 was het met Nederland in oorlog, de langste en bloedigste die dit land ooit heeft gevoerd.

Die Atjeh-Oorlog is uitvoerig onderzocht en beschreven, niet in de laatste plaats door Paul van ’t Veer in zijn standaardwerk uit 1969, maar is ten onrechte wat weggezakt uit de herinnering. ‘Wij’ waren er uitgegooid en voortaan moesten de Indonesiërs zich maar zien te verstaan met deze lastpakken. En Atjeh bleef rebels; sinds 1976 trad het Indonesische leger hard op tegen de Beweging Vrij Atjeh (GAM). Het zag dan ook liever geen buitenlandse pottenkijkers in het gebied. Maar het moest die reserves laten varen toen op Tweede Kerstdag 2004 een verwoestende tsunami de kusten van Atjeh overspoelde. Met de internationale hulpkaravaan arriveerde een nieuwe generatie westerlingen, die in de ban raakte van deze dwarse, maar wonderschone uithoek van Insulinde.

Amateurhistorici

De journalist Anton Stolwijk heeft Atjeh tussen 2009 en 2015 negen keer bezocht. Hij ging op zoek naar sporen van de Atjeh-Oorlog, in archieven, in het landschap en in de hoofden van de Atjehers. Het archiefonderzoek deed Stolwijk vooral in Leiden. Toch kwam hij in Atjeh amateurhistorici tegen die beschikten over bijna onleesbare kopieën van kopieën van Nederlandse traktaatjes en documenten.

Die zoektocht moet niet makkelijk zijn geweest. Fysieke sporen uit het verleden zijn voor een groot deel uitgewist door revolutionair geweld, een onverbiddelijk tropisch klimaat en – vooral – door de vloedgolf van 2004. Stolwijk vond een enkel sultansgraf en vooral veel zerken van gevallen Nederlanders. Het oude sultanspaleis is door de Nederlanders in 1874 stukgeschoten en op de fundamenten is het gouverneurspaleis gebouwd, dat nog steeds in gebruik is. In de voortuin van een oude dame vond Stolwijk nog een stenen aandenken aan de landing van generaal Van Swieten in 1874.

Hij sprak ook enkele getuigen, onder wie een achterkleinzoon van de laatste sultan en de 102-jarige dochter van Panglima Polem, een edelman die zich na een half leven van verzet onderwierp aan de Nederlanders. En in Meulaboh vond hij een oude heer die zich in 1942 als jongen van vijftien had aangesloten bij de door oprukkende Japanners aangestoken opstand tegen de Nederlanders.

Stolwijk toont zich niet alleen een volhardend spoorzoeker, maar ook een kritische luisteraar. Atjehers zijn dol op mythische heldenverhalen, maar de onderzoeker laat zich niet van de wijs brengen. Zo is hij terecht sceptisch over de pretenties en beweegredenen van Hasan di Tiro, de oprichter van de GAM, die in 2008 na een ballingschap van vier decennia terugkeerde naar Atjeh, zich een paleis liet bouwen en in 2010 overleed.

Stolwijk trapt ook niet in Nederlandse mythen. Hij maakt nog eens duidelijk dat de Atjeh-Oorlog niet ophield toen de laatste sultan, Muhammad Daud Syah II zich in 1903 ritueel onderwierp aan gouverneur Van Heutsz. Daarna volgde onder meer de bloedige mars door de Gayolanden, waar de marechaussee onder overste Van Daalen een spoor van massagraven en verbrande kampongs trok.

Atjeh-moorden

Vanaf 1910 werd koloniaal Indië opgeschrikt door de raadselachtige ‘Atjeh-moorden’, aanslagen van ‘lone wolfs’ op Nederlanders die meestal eindigde in de dood van de belager. Stolwijk wijdt er een hoofdstuk aan, maar dat blijft een beetje aan de oppervlakte. Een enkele citaat uit het rapport van R.A. Kern uit 1921 had de lezer op het juiste spoor gezet. Zo schreef Kern: ‘Atjeh is wel bedwongen, maar nog geenszins bevredigd. De geest verzet zich nog steeds’. Kern rept ook van sterke wraakgevoelens tegen de eigen, adellijke hoofden, die samenwerkten met de Nederlanders. Die gevoelens zouden na de Japanse capitulatie tot uitbarsting komen in een bloedige sociale revolutie. Aan die omwenteling wijdt Stolwijk een enkele alinea, maar deze verdient een apart hoofdstuk.

Veel van wat Stolwijk schrijft was al bekend. Zijn boek werpt ook geen nieuw licht op de motieven achter de Atjeh-Oorlog, die Van ’t Veer al kenschetste als een ‘doelbewuste provocatie’. Maar het is fascinerend om te lezen hoe Atjehers vandaag denken over deze traumatische periode uit hun geschiedenis. Stolwijk heeft geen last van koloniale stereotypen en schetst een sympathiek beeld van de Atjehers. Hij verweeft hedendaagse stemmen en gearchiveerd verleden tot een meeslepend verhaal, een nog steeds onthutsend hoofdstuk uit de koloniale geschiedenis.