Column

Bij de dood van een breed gesteunde wet

De grootste verrassing van deze politieke week was wat mij betreft niet de hilarische opmerking van Sybrand Buma (CDA) tegen Mark Rutte (VVD): „Het premierschap is niet een hinderlijke onderbreking van twee verkiezingscampagnes.” De grootste verrassing zat in de Prinsjesdagstukken.

Dit kabinet zette de arbeidsmarkt op zijn kop met nieuwe regels voor werkgevers, en voor werknemers met vaste contracten, en voor zzp’ers en flexwerkers – al met al zoveel nieuwe regels dat bedrijven nog steeds bezig zijn uit te vinden wat die berg aan geboden nou precies in de praktijk betekent. Dàt kabinet schrijft doodleuk in de Miljoenennota dat „trends vragen om een breder maatschappelijk debat over de spelregels op de Nederlandse arbeidsmarkt”. In vet gedrukte letters zodat we goed begrijpen dat het belangrijk is.

Eeeehhh, hallo? Jullie hebben toch zelf net de alle spelregels veranderd? Daar zat toch een idee achter? Een doel? Flex moest minder flex worden en vast minder vast zodat de „tweedeling tussen mensen met een vaste baan en flexwerkers” verminderde en de groei van het aantal flexwerkers en zzp’ers stopte. Toch? Moet ik nu concluderen dat die regels slecht zijn en veranderd moeten worden?

Nee, toch niet. Minister Lodewijk Asscher en staatssecretaris Eric Wiebes laten niet na geruststellende woorden te spreken. Hun Wet Werk en Zekerheid en Wet DBA zijn echt heus geen gruwel voor de mensen, – hoewel de kritiek op die wetten maand na maand klinkt. Halbe Zijlstra (VVD) noemt de wet Werk en Zekerheid van Asscher (die hij toch echt mede heeft ingevoerd) inmiddels ‘dat ding’. En Rutte zegt op vragen over de wet tegen ondernemers: „Als ik hier eerlijk op ga antwoorden, heb ik een kabinetscrisis.”

En dat voor een wet die ooit werd aangenomen met immense steun in de Tweede en de Eerste Kamer: SGP, CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks, VVD en PvdA stemden voor. Een wet die bovendien in 2013 de zegen kreeg van bedrijfslobbyclubs en vakbonden in een heus Sociaal Akkoord, in een tijd dat niemand het meer voor mogelijk hield dat de snel radicaliserende vakbond FNV ooit nog de handen ineen zou slaan met een bedrijfsvoorman als Bernard Wientjes, en al helemaal niet op dit dossier: de bescherming van werknemers met vaste en flexcontracten.

De genadeklap voor de wet kwam deze week van het Centraal Planbureau. De economen schrijven in hun traditionele Prinsjesdagstuk dat het vaste contract in Nederland op zijn retour is. En dat ligt niet aan mondiale ontwikkelingen zoals de robotisering. Het aantal flexwerkers en zzp’ers groeit hier immers veel harder dan in andere landen. Het is ook geen tijdelijk fenomeen: de kans op een vast contract neemt voor elke nieuwe lichting werknemers structureel af. Het ligt ook niet aan nieuwe voorkeuren van werkgevers en werkende mensen.

Nee, zegt het CPB, het ligt aan beleid. Aan de regels van de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld aan het grote verschil in bescherming tussen mensen met een vast en flex contract. (Ja u leest het goed, dat verschil is nog steeds groot, ook na de hervormingen van Rutte-Asscher). Die regels moeten opnieuw worden uitgevonden: hup nieuw kabinet!

Asscher reageerde op het CPB als volgt: dit kwam door het beleid van voorgaande kabinetten, zijn wet gaat juist tegen die trend in maar is niet genoeg. Allright.

Als de Grote Arbeidsmarkthervorming van het duo Rutte-Asscher niet echte mensen (in bedrijven, zzp’ers) van hun werk hield met al die nieuwe regels, zou je er met gerust hart een politieke klucht van kunnen maken.

Marike Stellinga is econoom en schrijft elke zaterdag op deze plek over politiek en economie