Als je iets wilt, moet je ervoor zorgen

Biologielerares Hilde van der Stelt (1923-2016) gaf les zoals ze leefde: trouw aan haar principes. Voor haar kinderen werd ze moeder en vader in één.

Elk dier was welkom in het huis van

De grote tassen waarmee ze de school binnenwandelde, vol net geplukte planten. Of de tarantula’s die ze eens op de lessenaar zette. Op leerlingen van Hilde van der Stelt maakten die een diepe indruk: hun biologielerares bracht decennialang daadwerkelijk de natuur het klaslokaal binnen. Want alleen plantennamen op het schoolbord schrijven was niets voor haar. Ze gaf les zoals ze leefde: vol overgave en overtuiging.

Deelde iemand die overtuiging niet? Dan volgde vaak een stevige discussie. Wie vlees at, kreeg een pleidooi voor het vegetarisme. En kwam het gesprek op religie, dan begon zij over haar eigen heiligdom: de natuur.

Liefde voor planten en dieren had ze van haar ouders. Vader Jan was bekend van zijn wekelijkse vogelcolumn in De Telegraaf, en van zijn natuurfoto’s. Hilde was de oudste dochter, op 23 mei 1923 geboren in Bloemendaal. Vijf jaar later werd haar zusje Marjon geboren. Twee kinderen: dat was het maximum, volgens de filosofie van het neomalthusianisme – daarmee zou de overbevolking binnen de perken blijven.

Hilde voelde zich later wel eens schuldig dat ze die regel overtrad. Haar jeugddroom – als bioloog werken in het Braziliaanse regenwoud – maakte plaats voor het moederschap. Maar de vier kinderen die ze kreeg had ze voor geen goud of oerwoud willen missen.

Ze leerde haar man Bram kennen tijdens hun biologiestudie in Amsterdam. Tijdens en na de oorlog volgden ze colleges en gingen het veld in. Bram liep met een prothese nadat hij op 17-jarige leeftijd bij een treinongeluk een been had verloren. Bij een van die excursies gaf Hilde hem een lift op haar bagagedrager. Zo begon de liefde.

Hun mooiste momenten vonden buiten plaats: tussen de orchideeën, of languit op hun buik in een alpenweide, gewapend met plantengids en schetsblok. Tijdens vakanties in Frankrijk konden ze soms uren doen over een wandeling van tien meter. Thuis zaten ze vaak samen achter de typemachine, werkend aan hun magnum opus, de vertaling van het vogelboek Birds of the World.

Schrijven deed ze graag: brieven aan vriendinnen (enkele van haar penvriendschappen duurden 70 jaar) of bijdragen voor het verenigingsblad van IVN. Voor die natuurorganisatie maakte ze ook tentoonstellingen. De posters ontwierp ze zelf: aquarellen van torretjes, oeverplanten, watervogels.

Saai voor de kinderen, twee ouders die zo gebiologeerd waren door hun werk?

Allerminst. Thuis kon en mocht veel. Smokkelde zoon Hans in een papieren tas een konijn het huis binnen? Geen probleem; zelfs niet toen het beviel van een tienling. Zolang hij zich zelf maar over de jongen ontfermde.

Later kregen de konijnen gezelschap van schildpadden, vogels en zelfs een alligator. Als je iets wilt, moet je er voor zorgen, leerde Hilde haar kinderen. Dat gold ook voor levensdoelen: ze moedigde hen aan hun dromen waar te maken. Haar kinderen mochten altijd knutselspullen kopen. Dat haar zoons in de jaren zeventig met lang haar en gescheurde kleding actief waren in de kraakbeweging? Geen probleem, dat idealisme vond ze mooi, ook al beschouwde haar vader zijn kleinzoons als meelopers.

Hilde was voor haar kinderen soms moeder en vader in één. Zij bracht hen naar zwemles, kwam naar uitvoeringen kijken, woonde oudergesprekken bij. ’s Zondags nam ze haar kinderen mee naar de hei, ook toen haar man – toch al minder mobiel door zijn handicap – door depressies steeds minder vaak buiten kwam. Hilde bleef reislustig; met zoon Chiel maakte ze kort voor haar tachtigste nog een reis naar Spitsbergen.

De kinderen kwamen, eenmaal volwassen, nog vaak op bezoek, al was het maar voor de kookkunst van hun moeder. Alles vegetarisch (en soms een beetje aangebrand). Tot buiten de familie waren Hildes havermoutkroketjes befaamd.

Voor haar kleinkinderen was ze een toegewijde oma: bij het afzwemmen van haar kleindochter Kim sprong ze mee het water in. En met kleinzoon Sjors voltooide ze de tweede versie van het door zoon Hans geschreven boek De bomen in Artis en de Hortus toen die het door ziekte niet meer kon afmaken. Zijn dood, in 2013, was een van de zwaarste perioden in haar leven.

In 2015 verhuisde ze naar een verzorgingstehuis in Oegstgeest. Daar overleed ze op 28 augustus. Zelfs daar was ze trouw gebleven aan haar principes. Ze was betrokken bij het wel en wee van de andere bewoners en schreef een brief aan de directeur: of er iets tegen de voedselverspilling kon worden gedaan?

Dat het eten nergens naar smaakte was tot daar aan toe. Maar dat er zoveel werd weggegooid, dát kon ze niet aanzien. Met haar havermoutkroketjes zou dat nooit gebeurd zijn.