Column

Wilders’ western

Net als in een ouderwetse western is Geert Wilders bij de Algemene Beschouwingen altijd bereid de rol van klassieke slechterik op zich te nemen, zo’n ploert van een paardendief die agressief de salondeurtjes openklapt en vervolgens de onbekwame sheriff en zijn licht aangeschoten deputy onder schot neemt. Báf!

Ik mag er graag naar kijken. Daarom schrok ik ’s morgens op de eerste dag van de Algemene Beschouwingen even toen Wilders, geheel tegen zijn gewoonte in, aan een soort charmeoffensief leek te beginnen. Kom nou, daarvoor zat ik niet op de eerste rij! Er was nog geen woord gezegd, of hij snelde al naar voren voor „een klein puntje van orde”. Hij wilde, zei hij zoetsappig, „de minister van Binnenlandse Zaken welkom heten na zijn voorspoedige herstel.”

Het klonk alsof hij over het hoofd van ex-patiënt Plasterk tegen de kijkers thuis wilde zeggen: „Ik lijk dan wel een rotzak, maar ik heb een klein hartje, kijk maar, ik doe zelfs tegen een socialistische nepminister aardig, als hij maar een hartkwaal heeft.”

Ook tegen SP-fractieleider Roemer was Wilders aanvankelijk reuze voorkomend. „Ik wil de verschillen tussen de heer Roemer en mij niet groter maken”, zei hij, en af en toe voegde hij zelfs de schijnheilige woordjes „met alle respect” toe. Ik voelde me onrustig worden. Waar bleef de paardendief?

Gelukkig kwam die geleidelijk toch weer tevoorschijn, vooral toen Roemer wantrouwig begon te reageren. Hij zei tegen Roemer dat die het geld voor de zorg maar uit de ontwikkelingshulp moest halen, want hij was een keertje in Mozambique geweest en daar had hij met eigen ogen gezien „dat de ambtenaren er in Armanipakken rondliepen”.

Allemaal corrupte boefjes, die Afrikaanse ambtenaren! Zó kenden we hem weer. Nu was alleen nog het wachten op „de islam die geen godsdienst is”, „de vijfde colonne” van islamieten, de onontkoombare „sharia in Nederland”, de moskeeën die dichtmoeten, het verbod op de Koran, de jonge Turkse en Marokkaanse criminelen, uitmondend in krasse uitroepen als „Haal geen Turk meer binnen” en „Als we niets doen overleven we het in Nederland niet”.

Af en toe klonk er ook het nodige zelfmedelijden door. „Overmorgen sta ik voor de rechtbank”, klaagde hij. Hij vond het een grote schande: Rutte mocht wel „pleur op” tegen lastige Turken zeggen, maar als hij zoiets (hij liet het „minder-minder” maar even weg) over Marokkanen zei, was het huis te klein.

Woedend werd hij toen Buma hem erop wees dat hij in zijn eigen fractie geen orde kon houden. „Dit gaat over het voortbestaan van Nederland”, schreeuwde hij, „wees niet zo’n klein mannetje met zulke interrupties.”

Buma maakte het hem nog lastiger met vragen over de inzet van politie bij het sluiten van al die moskeeën en het doorzoeken van huizen op de Koran. Hij begon wild om zich heen te slaan. Tegen Klaver: „U probeert de vrijheid kapot te maken.” En tegen Pechtold: „U verkoopt Nederland aan de islam.”

Het moet gezegd: ze deden het niet slecht tegen hem, onze parlementariërs, beter dan die sheriff en zijn deputy in mijn western. „Schreeuwer aan de zijlijn”, noemde Zijlstra hem zelfs. Alleen Samsom hield zich volmaakt koest tegen Wilders, alsof het hem niet aanging. Dat was toch niet omdat Wilders zo lief voor Plasterk was geweest?