Wie brengt Mark Rutte aan het wankelen? Niemand dus

Algemene Politieke Beschouwingen

Premier Mark Rutte werd tijdens het debat in de Tweede Kamer op diverse punten aangevallen door de oppositie. De meest gebruikte tactiek om hem te raken: zijn betrouwbaarheid in twijfel trekken.

Premier Rutte gisteren na afloop van zijn eerste termijn van de Algemene Politieke Beschouwingen. Foto ANP / Remko de Waal

Wie kan Mark Rutte aan het wankelen brengen? Daar draaide het om op dag twee van Algemene Beschouwingen. Rutte gaf donderdag antwoord op alle vragen van de Tweede Kamer – en dus was het tijd voor de politiek leiders om hem aan te pakken.

Met nog zes maanden te gaan tot de Tweede Kamerverkiezingen is duidelijk: geen van de andere partijleiders dringt zich op als dé kandidaat om Rutte uit te dagen als nieuwe premier.

Rutte heeft in de eerste weken van dit politieke jaar het initiatief al naar zich toe weten te trekken, met twee sorry-interviews en een optreden bij het tv-programma Zomergasten. Hij geniet de reputatie van sterk debater. En dus liepen zijn politieke concurrenten donderdag elkaar voor de voeten om wat krassen op zijn teflonlaag te maken.

Ze probeerden van alles. Hem aanvallen op het feit dat hij de PVV categorisch weigerde uit te sluiten als regeringspartner. Hem wegzetten als de premier die de verschillen tussen arm en rijk groter maakte. Hem nog maar eens met al zijn gebroken verkiezingsbeloftes confronteren: 1.000 euro voor iedere Nederlander, geen cent meer naar de Grieken.

De vaakst gebruikte tactiek: Ruttes betrouwbaarheid in twijfel te trekken. Zo verweet Sybrand van Haersma Buma (CDA) de premier dat hij de nieuwe arbeidsmarktwet van zijn kabinet was afgevallen ten overstaan van ondernemers, maar vervolgens weigerde er iets aan te veranderen. „Van twee walletjes eten”, noemde Buma het.

Alexander Pechtold (D66) wreef Rutte in een stekelig een-op-eendebatje nog eens in dat hij de PvdA bij de verkiezingen van 2012 eerst beschreef als een gevaar voor het land, en vervolgens razendsnel een coalitie met de sociaal-democraten wist te vormen. „Vanaf dat moment hebben mensen zelfs positieve boodschappen niet meer geaccepteerd. Ik denk dat dat uw probleem is.”

Geert Wilders (PVV) probeerde het met het Oekraïne-referendum. Waarom accepteert de premier niet gewoon de nee-stem van 6 april, vroeg hij. En trekt de premier de Nederlandse goedkeuring van het associatieverdrag in, in plaats van eindeloos te onderhandelen met de andere EU-lidstaten in Brussel? „Ú bent de kat in de zak, want de Nederlandse bevolking heeft ‘nee’ gestemd.”

Rutte werd toch even pissig

Alleen: echt lukken wilden al die aanvallen niet. Rutte praatte zich er simpel onderuit. Samenwerken met de PvdA? Kon echt niet anders, het land was in crisis. De arbeidsmarktwet? Tot aan de verkiezingen moet hij zich nu eenmaal aan zijn afspraken met de PvdA houden. Het referendum: als we de Nederlandse goedkeuring voor dat verdrag met Oekraïne helemaal intrekken, komt het er alsnog – maar dan namens alle EU-landen minus Nederland. Dat zouden de tegenstanders toch zeker niet willen?

Toch kende Rutte wel degelijk een paar moeilijke ogenblikken. Het ging opnieuw over zijn veelbesproken ‘pleur op’-commentaar in Zomergasten. De volledige oppositie plus coalitiepartner PvdA las Rutte de les over zijn uitspraak dat Turks-Nederlandse jongens die in Rotterdam een NOS-cameraploeg bedreigden, beter terug konden gaan naar Turkije.

Het verwijt dat hij daar geen staatsmanschap had getoond, trof de premier. Waar hij normaal gesproken een antwoord met gemak tien keer nét iets anders formuleert, bleef hij nu staccato dezelfde zin herhalen: dat bij het zien van die beelden „slechts één denkbare reactie mogelijk is”. Bovendien, zei hij, de meeste Nederlanders denken er precies hetzelfde over. Maar heeft een premier geen grotere verantwoordelijkheid, zei Samsom, dan „dingen zeggen waar alle mensen het mee eens zijn”?

Het was D66-leider Alexander Pechtold die Rutte het meest uit balans wist te krijgen. Hij begon te sarren, toen Rutte in algemene taal bleef steken: „De premier gaat hier af als een gieter.” Nadat Pechtold zei dat Ruttes taal eerder thuishoorde „in de kantine met een borreltje te veel op”, had Rutte er genoeg van. Hij verhief zijn stem. „Dit is nou typisch hoe in Nederland dit soort discussies altijd loopt”, zei hij. Dat het debat niet over de norm gaat, „maar over toonhoogte”.

Punt is alleen: bij dit soort debatten in de Tweede Kamer is degene die anderen retorisch slimmer af is, niet automatisch ook de winnaar van de dag. Want welk beeld blijft bij de kiezer hangen? Dat van onderling Haags gekibbel, dat van een oppositie die staatsrechtelijk opkomt voor een groep weggezette Turkse Nederlanders, of dat van een premier die gewoon zegt wat de meeste Nederlanders denken – wat de anderen daar ook van vinden? Bij de VVD vonden ze in ieder geval het laatste.

Zo liepen twee dagen politiek debat ‘op links’ vooral uit op een discussie over de kosten van de zorg en inkomensverdeling. En ‘op rechts’ op een discussie, of meer een zoektocht, naar de Nederlandse kernwaarden. Met in het laatste regeringsjaar nog een primeurtje voor dit kabinet. Want voor het eerst volgt waarschijnlijk geen gehannes in de Eerste Kamer om de begroting ook dáár nog aangenomen te krijgen. De coalitie heeft er geen meerderheid, maar geen partij haalt het in zijn hoofd om tegen extra geld voor bijna iedereen te stemmen.

De partijleiders hebben komende maanden wel iets anders aan hun hoofd dan het de coalitie lastig te maken in de senaat. Zij gaan er nog alles aan doen om het Rutte zo moeilijk mogelijk te maken tijdens de campagne. Neem Jesse Klaver, partijleider van GroenLinks. Na een debatje over inkomensongelijkheid zei hij tegen de premier: „In 2012 kon u misschien met blufpoker en soms een tikkeltje list en bedrog verkiezingen winnen. Those were the days. Dat gaat niet meer gebeuren, meneer Rutte.”

Dit waren opvallende momenten van donderdag

1. Samenwerken, na de verkiezingen dan
Elkaar „kunnen vinden”. Een „heel eind meegaan” in een redenering. Hardop uitspreken dat je het eigenlijk toch bíjna eens bent is in de politiek bijna altijd een retorisch trucje. Want daarná kun je mooi uitleggen waarom je het principieel toch echt oneens bent met je politieke concurrent.

Deze week was het meer dan dat. Vooral de middelgrote partijen zeiden vaak en graag dat ze zo bereid waren om samen te werken. Vaker dan normaal. De fractieleiders hebben geleerd van de verkiezingen in 2012. Toenmalig lijsttrekkers Rutte (VVD) en Samsom (PvdA) vielen elkaar in de campagne hard aan, om vervolgens na de verkiezingen vlug „met elkaar in bed te kruipen”, zoals het in Den Haag heet. Bovendien kennen ze bij bijna alle partijen de zetelverdeling in de Eerste Kamer uit het hoofd en daar zijn minstens vier partijen nodig voor een meerderheid. Elke partijleider ziet zichzelf daar graag bij.

Voor nu bleef het bij hartelijke woorden. Op een paar relatief kleine voorstellen na is amper iets aan de kabinetsplannen voor 2017 veranderd. De ChristenUnie kreeg steun voor een voorstel om de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg weg te werken. De VVD steunt een plan van D66 om belediging van de koning gelijk te stellen aan ‘gewone’ belediging, welk plan daardoor nu gesteund wordt door een meerderheid. En de kleine SGP kreeg een meerderheid voor het voorstel dat ondernemers niet gedwongen kunnen worden hun winkel op zondag te openen. Bij de formatie zullen de dossiers volgend jaar heel wat complexer zijn.

2. De crisis voorbij? Er zijn er nog minstens vijf
Nederland is uit de crisis – dat was de boodschap waarmee het kabinet bij zijn laatste begroting de kiezer tegemoet wil treden. De economie groeit, de werkloosheid daalt en de overheidsfinanciën zijn weer op orde. Maar wie afgelopen week luisterde naar de fractievoorzitters, kreeg het gevoel dat we nog steeds middenin de crisis zitten. De meestgehoorde zin: „De crisis is voorbij, maar burgers merken er nog weinig van.”

Sterker nog: volgens de oppositie is Nederland inmiddels verstrikt in een web van nieuwe en oude, onopgeloste crises. Een greep uit de afgelopen dagen. Sybrand Buma (CDA) vindt dat Nederland zich in een „identiteitscrisis” bevindt. Volgens Pechtold (D66) dreigt er een „kansencrisis” tussen hoger- en lageropgeleiden. Henk Krol (50Plus) ziet een crisis bij de pensioenen. Marianne Thieme, die al jaren waarschuwt voor een voedselcrisis en ecologische crisis, sprak nu van een „gezondheidscrisis”, veroorzaakt door de marktwerking in de zorg. En dan was er nog de buitenparlementaire kritiek van Jan Roos, aanstaand lijsttrekker van Voor Nederland (VNL). Die constateerde op Prinsjesdag dat we ons in „een immigratie-, integratie-, veiligheids-, en democratische crisis” bevinden. Maar juist die ene crisis waar de oppositie stiekem op hoopte, die kwam er deze week niet: een kabinetscrisis.

3. Ieder zijn eigen tweedeling
Het was alsof alle fractieleiders per ongeluk dezelfde outfit aan hadden naar een feestje. Voor de Algemene Beschouwingen hadden ze allemaal het thema „tweedeling” gekozen. Geen toeval, waarschijnlijk: sinds het SCP-rapport Gescheiden werelden (2014) ligt de tweedeling elke politicus op de lippen bestorven. Maar in de details verschilden de outfits: ieder benoemde zijn eigen kloof.

Voor Geert Wilders (PVV) ging het, uiteraard, tussen de islam en de rest. Marianne Thieme (Partij voor de Dieren) kwam met de kloof tussen stad en platteland. Jesse Klaver (GroenLinks), Alexander Pechtold (D66) en Gert-Jan Segers (ChristenUnie) ontwaarden meerdere kloven: tussen jong en oud en tussen hoog- en laagopgeleid. Pechtold en Sybrand Buma (CDA) vroegen aandacht voor de „tweedeling op de arbeidsmarkt”.

Voor Tunahan Kuzu (Denk) ging de strijd tussen arm en rijk, voor Henk Krol (50Plus) tussen werkenden en gepensioneerden, voor Kees van der Staaij (SGP) tussen eenverdieners en tweeverdieners. Premier Rutte zag weer een andere tweedeling: tussen „de mensen die bereid zijn steeds maar verder onze normen en waarden aan te passen” en degenen die dat weigeren.

Alleen Halbe Zijlstra weigerde in kloven te geloven: „Er zijn geen twee soorten mensen. Er zijn alleen maar Nederlanders.”

4. Rutte II vergrootte inkomensverschillen. Of niet?
Heeft het kabinet-Rutte II de inkomensverschillen nu groter gemaakt of niet? Voor Emile Roemer (SP) en Jesse Klaver (GroenLinks) is het antwoord helder. Die verschillen zijn sinds 2012 zeker groter geworden. Voor premier Mark Rutte (VVD) en Diederik Samsom (PvdA) was het antwoord even helder. Nee hoor, de jaarlijkse koopkrachtreparaties leidden steeds tot „een evenwichtig beeld”.

Wie gelijk heeft? Geen gemakkelijke vraag, zoals Roemer donderdag zelf al toegaf. „Het lastige van dit soort discussies is dat iedereen voor een tabelletje, een grafiekje of een percentage kan shoppen in ongeveer 3.000 beschikbare tabellen en grafieken.” Toch kwam er tijdens debat iets meer helderheid. Het CPB was halverwege de dag gevraagd om de koopkracht voor verschillende inkomens van 2012 tot 2017 te berekenen. Wie minder dan zo’n 32.000 euro verdient, kreeg er 4,3 procent bij, bleek uit het overzicht. Maar wie ruim tweemaal zoveel verdient, kon 8,8 procent meer besteden. Wie jaarlijks 90.000 euro incasseert, ging er 7,2 procent op vooruit.

Het definitieve gelijk van Roemer en Klaver? Volgens Rutte ligt het anders. Die ontwikkeling is echt niet alleen het gevolg van kabinetsbeleid, betoogde Rutte. Denk bijvoorbeeld aan de inflatie. Of aan de hypotheekrente. Al met al, volgens de premier, „goed nieuws voor de mensen”.