Column

Typisch Nederlands

‘Misschien is de eeuwige wederkeer van de openbare discussie over de Nederlandse identiteit wel de identiteit van de Nederlanders,’ schreef Gerrit Komrij al vijfentwintig jaar geleden. Als hij gelijk heeft, kunnen we iedereen die zich zorgen maakt over de teloorgang van de Nederlandse eigenheid geruststellen, want het typisch Nederlandse debat over wat Nederlanders tot Nederlanders maakt is wederom in volle hevigheid opgelaaid. Het was het voornaamste thema van de Algemeen Politieke Beschouwingen van de afgelopen dagen en als die, zoals iedereen zegt, een generale repetitie waren voor de verkiezingscampagne, zal de discussie over de Nederlandse volksaard nog maanden voortduren.

Omdat ik, net als Komrij toen hij erover schreef, in het buitenland woon, besef ik hoe typisch en eigenaardig de Nederlandse karaktertrek is om de Nederlandse identiteit bij voortdurend ter discussie te stellen. In Italië, om het land waar ik woon als voorbeeld te nemen, zou een debat over de Italiaanse identiteit ondenkbaar zijn, belachelijk en volstrekt overbodig. Als je partner tegen je zegt dat hij of zij graag uitgebreid met je wil praten over de aard van jullie relatie, is dat meestal geen goed teken. Net zo is de Nederlandse neiging om de Nederlandse identiteit te willen definiëren een symptoom van een gebrek daaraan. Het is natuurlijk ook niet gemakkelijk om iets karakteristieks en eigens te vinden in de voormalige Spaanse, Franse en Duitse provincie met de oppervlakte van een deelstaat van de Bondsrepubliek, waar een Nederduits dialect wordt gesproken. Het enige land dat nog méér is geobsedeerd door zijn nationale identiteit is een land dat niet bestaat en dat België wordt genoemd.

De reden waarom de Nederlandse identiteit juist nu opnieuw een prangend thema is geworden, is dat nationale soevereiniteit en landsgrenzen door toedoen van de globalisering aan relevantie hebben ingeboet en dat maakt ons bang. En dan heb je ook nog al die immigranten met hun enge religie. Omdat ons land verandert, worden wij bang dat het verandert en willen wij de eigenheid ervan beschermen. Maar daarvoor moeten we wel eerst weten wat die eigenheid eigenlijk is.

En daar begint de verwarring. Wie de Algemene Beschouwingen heeft gevolgd, heeft er meerdere voorbeelden van gezien. Een politicus zegt dat onze vrijheid een Nederlandse kernwaarde is. Vrijheid is altijd goed. Daar kan niemand tegen zijn. Maar is dat de vrijheid om Allah te aanbidden en een hoofddoek te dragen of de vrijheid om te barbecueën, zoals Halbe Zijlstra zei? En die vrijheid om te barbecueën, is dat de vrijheid om lucht te verontreinigen en je ecologische voetafdruk te vergroten door onmatige hoeveelheden vlees te consumeren of moeten we dat niet zo zien? De vrijheid van multinationals om belasting te ontduiken, de vrijheid van beurshandelaren om Griekenland naar de verdoemenis te helpen, de vrijheid van de vrijhandel waarin winsten privaat zijn en verliezen op het collectief worden afgewenteld – vallen deze vrijheden ook onder de vrijheid die ons zo typisch Nederlands maakt? Vrijheid is een ingewikkeld concept.

Omdat de begrippen zo lastig zijn, gaat de discussie al gauw ergens anders over. Van een discussie over de grenzen van het toelaatbare, waarover de wetgevende macht zou moeten beslissen, verwordt het debat tot een twistgesprek over de bandbreedte van het wenselijke. De discussie over de Nederlandse identiteit wordt dan een discussie over buitenlanders en over het feit dat wij eigenlijk liever niet willen dat zij zich anders gedragen dan wij.

Een volk dat vertrouwen heeft in de democratie en de rechtsstaat, heeft geen discussie over de volksaard nodig.

Ilja Leonard Pfeijffer is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week op deze plek een column.