Cultuur

Interview

Interview

‘Er is iets in mij omgewoeld’

Pierre Bokma

(60) speelt Adri van der Heijden, de schrijver die zijn zoon verliest, in de verfilming van requiemroman Tonio. Het is de moeilijkste filmrol in zijn carrière, zegt hij. ‘Je kan dit op honderdmiljard manieren fout doen.’

Zie hoe die mondhoeken steeds verder zakken. De treurende wangen. De ogen die veranderen van donker naar dof. Hoe speel je iemand die van binnen doodbloedt? Pierre Bokma vroeg het zich af tijdens de opnames van Tonio. In de vele close-ups in de film ligt het antwoord besloten. Zo. Zo speel je dat. Met schouders die langzaam instorten. Met een gezicht dat zich schrap zet, en dan, als het niet meer gaat, verkruimelt.

Adri, de vader die zijn zoon verliest in Tonio, was de moeilijkste filmrol die hij ooit gespeeld heeft, zegt Bokma (60), in het café van het Amsterdamse Concertgebouw. Emotioneel moeilijk, zegt hij: „Het heeft me iets gekost.” Maar dat komt later. Technisch was het niet minder ingewikkeld. Want hoe speel je leegte? Het antwoord: klein, heel klein. Minder, vroeg regisseur Paula van der Oest hem te doen. Minder, nog minder. „Als je het idee hebt dat je nauwelijks nog speelt, en de regisseur geeft aan: het is te veel, dan wordt het gebied waarin je moet zoeken wel heel ijl. Het is moeilijk om dan nog ergens zuurstof vandaan te halen.”

Zat daar de toneelspeler de filmacteur in de weg?

„Nee, want ik zat al op het niks-niveau van film. Het verschil tussen toneel en film is een spoorbreedtekwestie. Bij film zijn de rails smal, bij toneel een stuk breder. Haast niets doen op toneel is bij film nog als een idioot staan schreeuwen. Maar wie op het smalle spoor begint, kan nooit breder worden. Andersom kan wel.”

Het duurde even voordat Bokma gevoel kreeg voor de spoorbreedte van film, erkent hij. In een eerdere Van der Heijden-verfilming, Advocaat van de Hanen (1996), was zijn spel nog te barok voor filmdoekformaat. Te groot, te gedragen, met te veel gebaren. „Theo van Gogh noemde mij ‘een ramp voor het witte doek’.” En regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen, die hem in de toneelproductie Cloaca had geregisseerd, wilde hem aanvankelijk niet in de verfilming laten spelen. Schertsend: „In elk geval niet Pierre! Die kan dat niet.” Toch castte Van Gogh hem voor Interview (2003), en speelde hij uiteindelijk ook in Cloaca (ook 2003). Die films gelden nu als een keerpunt in zijn filmcarrière. Voor de Uitverkorene (2006) kreeg hij een Emmy. Schlafkrankheit (2011) bracht internationale erkenning. Zijn rol als Rijkman Groenink in De Prooi werd in 2013 bekroond met een Gouden Kalf.

Op toneel zet een acteur zijn hele lichaam in: houding, stem, gestiek, om maar dat hoogste balkon te bereiken. Op film kijk je hem in de ogen. En in die ogen gebeurt het nu. Ja, Bokma speelt leegte, maar in die leegte is peilloos verdriet zichtbaar. Zelfverwijt. Gemis. Hij vat grote, onmogelijke gevoelens in één blik. Of hij vertaalt ze fysiek: zijn Adri is een man op wie de zwaartekracht opeens meer vat heeft.

Hoe draagt uw ervaring op toneel bij aan de invulling van filmrollen?

„Toneelacteurs hebben denk ik een meer gespierde verbeelding, tegenover de verfijnde verbeelding van de filmacteur. Vanuit die verbeelding maak je andere keuzes. En een voordeel is dat een toneelacteur zich kan inleven in de hele Romeo en Julia. Je kunt er je levensangst en levensideaal in kwijt, doordat je het hele verhaal in één keer opbouwt. Je doorleeft in één keer de hele boog. Film is altijd in brokjes: opname zus, scène dit, take zo. Ik heb het hele verhaal, de hele Adri, van tevoren doordacht en geconstrueerd. Het lastigste was om steeds weer te bedenken: waar zit ik nu, in zijn werdegang, welke emotie had hij in de vorige scène dus op welk punt stap ik in?”

   In Tonio, zegt Bokma, worden de acteurs daarbij niet geholpen door een plot. „Er is geen plot. Er is alleen maar de teloorgang van die man. En het keerpunt als hij beseft dat hij de tijd niet stil kan zetten.” Hij zucht. „Het was moeilijk. Je kan dit op honderdmiljard manieren fout doen. Hoe kom ik ook maar ergens in de buurt van jou duidelijk te maken wat voor verschrikking zoiets is, en hoe dat voelt, elke seconde van de dag?”

Tonio is een ode aan een niet beseft leven, aldus Bokma. „Adri beseft te laat wat hij zijn kind allemaal niet gegeven heeft. Dat hij zijn volwassen zoon nauwelijks gekend heeft. Met dat besef komt het schuldgevoel: als ik het anders had gedaan, was hij dan minder onvoorzichtig geweest? Dus doet hij het over, in een roman. Hij schept een epos, een herbeleving van zijn kind, via zijn talent. De literaire Paganini in hem staat op, als ultiem wapen tegen het verdriet.”

Bokma had eigenlijk niet verwacht dat de film er zou komen. Ook niet toen hij al ‘ja’ had gezegd tegen de rol. Scepsis was er: God, moet je dat nou verfilmen? Dat kan helemaal niet. Hij geloofde niet dat het zou lukken. Ja, we zien wel. Maar eigenlijk was het nee. Nee, ik wil niet. „Dat heb ik alleen nooit gezegd.”

Vanwaar die weerzin? Was dat angst?

„Ja. Ik dacht: dit moeten we niet doen, daar moet ik niet aan beginnen.”

Waarom?

„Je moet toch een verre afgeleide van dat verdriet beleven. Je kunt niet anders.”

Een acteur moet zich proberen voor te stellen hoe het voelt. In dit geval: hoe het voelt een kind te verliezen. Hij moet in zichzelf op zoek gaan naar een soortgelijk gevoel. Bokma noemt het the box of horror. Die zet je open, en iets daarvan ontsnapt. Dat kun je gebruiken. „Godzijdank heb ik mijn kinderen nog” – hij klopt af onder de tafel – „dus ik heb gekeken naar de band die het meest dichtbij komt. Het enige waar ik die rol aan kon relateren is dat ik geen vader heb, ik heb hem nooit gekend. Dat gegeven heb ik omgedraaid: mijn vader is mij kwijtgeraakt; hoe heeft hij dat ervaren? Hoe heeft hij met die wetenschap doorgeleefd?”

Bokma’s moeder was zestien toen zij hem kreeg, en kon niet voor hem zorgen; hij leefde in verschillende pleeghuizen en pleeggezinnen. Zijn vader is nooit in beeld geweest. „Daar heb ik nooit eerder moeite mee gehad. Maar nu vond ik het voor het eerst… ingewikkeld.”

U heeft zich noodgedwongen voor het eerst in hem verplaatst?

„Ik begon me af te vragen: stel dat hij hierbij was geweest, of daar. En ik concludeerde dat ik me niet voor kan stellen dat je je kinderen niet op de een of andere manier zou willen zien.”

Voelde u verdriet?

„Nee, maar wel een vreemd soort ongeluk. Een tekort aan lucht ofzo; ik kon moeilijk ademen. Ik heb het nu weer van me afgezet, maar er is iets in mij omgewoeld. Ik denk dat mijn vader aan het einde van zijn leven ongelofelijk ongelukkig is geweest, in het besef dat hij al zijn kinderen in de steek had gelaten, en dat de reden daarvoor onterecht was. Ik denk dat hem dat heeft aangegrepen. Dat hij wist: het was gelul, al die excuses. Er was niets van waar.”

En dat weet u, omdat…

„Omdat ik het zelf als vader godzijdank op tijd te weten ben gekomen. Alle excuses zijn onzin. Het is gewoon kletskoek, heel simpel.”

Bokma heeft vier kinderen met drie verschillende vrouwen. Over die „chaotische situatie”, zoals hij het wel eens omschreef, wil hij nu niet verder uitweiden. „Daarvoor zitten we hier niet.”

Maar u zei net dat uw personage Adri tekort is geschoten tijdens het leven van zijn zoon. Is dat gevoel herkenbaar

„Daar let ik nu heel erg op, ja.”

Nu?

„Sinds Tonio. Sinds ik ergens heel in de verte heb doorvoeld wat het moet betekenen als je te laat bent.”