Een taal met verfijnde werkwoorden

Taalkunde

De nuance van het Maniq, een kleine Thaise taal, zit in de werkwoorden, en niet zoals bij ons in de zelfstandige naamwoorden.

Taalonderzoeker Ewelina Wnuk tijdens het veldwerk bij de Maniq in Thailand. Foto Ewelina Wnuk

In alledaags Nederlands zijn werkwoorden (kijken, eten, kopen) vaak veel algemener van betekenis zelfstandige naamwoorden (iPhone, broccoli, spijkerbroek). Er zijn talen die dat anders doen. Die houden juist heel erg van werkwoorden met heel specifieke betekenissen. Voor zover bekend zijn dat altijd talen die binnen kleine gemeenschappen gesproken worden.

De Nijmeegse onderzoekster Ewelina Wnuk is afgelopen vrijdag op zo’n taal gepromoveerd: het Maniq, een Thaise taal met slechts driehonderd sprekers, die in het oerwoud leven.

De basiswoordenschat van het Maniq – een lijst met de paar duizend meestgebruikte woorden – bevat ongeveer evenveel werkwoorden als zelfstandige naamwoorden. Bij het Nederlands is die verhouding tussen werkwoorden en zelfstandige naamwoorden in de basiswoordenschat ongeveer één staat tot drie.

Het Maniq heeft geen algemeen werkwoord voor ‘eten’, maar vijf werkwoorden voor vijf verschillende vormen van eten: haw, luk, kap, pang en hop. Als je een biefstuk eet (stevig kauwen) is het kap, als je een banaan eet (weinig kauwen) is het haw, en soep eten (niet kauwen) is hop.

Voor kijken heeft het Maniq wel een algemeen woord, deng, maar dat wordt maar af en toe gebruikt. Wie in het Maniq wil zeggen dat er gekeken wordt, zal doorgaans kiezen uit vier mogelijkheden: pantew, balaj, jop en tsjkiej – respectievelijk: ‘vooruitkijken’, ‘omhoogkijken’, ‘omlaagkijken’, en ‘opzij- of achter je kijken’. Als je het over ‘kijken’ hebt in deze taal, geef je dus standaard de richting aan waarin gekeken wordt.

Nu word er door de Maniq-sprekers inderdaad veel omhoog- en omlaaggekeken. Ze leven als jager-verzamelaars. Nogal wat dieren waar ze op jagen (apen en vogels) en vruchten waar ze naar zoeken zijn hoog in de bomen te vinden. En voor het vinden van de knollen die voor hen het stapelvoedsel zijn, moeten ze veel omlaag kijken. De vier werkwoorden van kijken passen dus prima bij hun alledaagse werkzaamheden.

Maar hoe zit dat met eten? Waarom onderscheiden ze vijf verschillende vormen? Ewelina Wnuk: „Ze doen niet echt aan maaltijden. Als ze iets vinden, eten ze dat zo snel mogelijk op, soms ter plekke. De ene keer is dat een vrucht, de andere keer een knol. En weer een andere keer een aap die ze zo snel mogelijk klaarmaken en opeten.” Dat is andere koek dan iedere dag ontbijten, lunchen en dineren.

De werkwoorden van het Maniq onderscheiden ook drie manieren van ‘door de rivier lopen’ (stroomopwaarts, stroomafwaarts, van de ene kant naar de andere kant) en vijf vormen van ‘dragen’ (in je hand, op je schouder, op je rug etc.). Zo zijn veel van hun alledaagse werkwoorden specifieker dan bij ons.

Wnuk denkt dat zo’n heel verfijnd werkwoordensysteem alleen kan gedijen binnen kleine, hechte groepen, waar iedereen ongeveer hetzelfde werk doet (jagen op eetbare beesten en op zoek gaan naar eetbare vruchten en groenten) en waar geen gespecialiseerde beroepen zijn, en nauwelijks hiërarchische verhoudingen.

De groep Maniq-sprekers waar Wnuk acht maanden te gast was om hun taal te bestuderen bestond uit dertig mensen, die leefden in een gebied waarbinnen de grootste afstand twee dagen lopen was. Ze zaten soms allemaal bij elkaar en soms splitsten ze zich op in groepjes van tien man.

Het Maniq is dus een taal waarin je steeds met hetzelfde kleine groepje mensen over dezelfde onderwerpen praat. Er is veel gedeelde kennis, die niet expliciet gemaakt hoeft te worden. Dat leidt tot talen met een heel compacte structuur. Een van de manieren om die compactheid te bereiken is door heel veel betekenisnuances te onderscheiden door middel van heel korte werkwoorden (één of twee lettergrepen).

Ewelina Wnuk zegt dat ze geen talen kent die door miljoenen mensen gesproken worden en die in de basiswoordenschat net zo’n verfijnd werkwoordensysteem hebben als het Maniq.